Indianentaal in hartje Amsterdam; Debuut van een strijdbaar duo

Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes: Autobiografie van een polemist. Uitg. Rothschild en Bach, 347 blz. Prijs fl. 27, 50.

Iets over het midden van hun nogal oorlogszuchtige debuut laten Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes toch nog even hun hart spreken. Als ik tenminste de schrijvers van Autobiografie van een polemist met hun hoofdpersoon, Anton Wachterromans, over een kam mag scheren. Zij betuigen hun liefde voor onder anderen Annie M. G. Schmidt, Carmiggelt, Nescio, de Schoolmeester, Multatuli, Komrij, Reve, Mutsaers, De Bie en Van Kooten. Deze schrijvers zouden zich ieder op hun manier hebben teruggetrokken in 'uithoeken en buitenste buitenbossen', om te ontkomen aan het verraderlijke Hollandse klimaat, waarin volgens de schrijvers een verpestende 'Gids-geest' heerst.

Na deze ontboezeming volgt een sobere, maar nogal cryptische mededeling over Bril en Van Weelden. Het wordt mij niet helemaal duidelijk of dit andere jongensduo zich nu wel of juist niet mag rekenen tot het 'grote, goede en geniale in ons mooie taalgebied', maar vooralsnog neig ik naar een liefdesbetuiging. Het zal immers niet zonder betekenis zijn dat hun namen niet worden verbasterd tot bij voorbeeld Bil en Misdeelden.

De meesten, oudere en jongere schrijvers, moeten het ontgelden in deze autobiografie van Anton Wachterromans. Zo is er een lange brief gericht aan Joost Zwachtelromans, redacteur van De Jeugd, waarin Anton verzoekt toegelaten te mogen worden tot de 'zwarte netkousenkerk' van de Maximalen. Hij zou graag meeprofiteren van de 'persversmurfing' die zij teweeg hebben gebracht bij de 'krantisten', met Zwachtelromans als 'stralende gehaktbal in het middelpunt'.

Meer terloops krijgen 'Oete Lulstra' en 'Bertus Braafjes' een veeg uit de pan, en ook 'Henk Robijn de Beijer' mag zich niet verheugen in de waardering van de bitse Anton.

MISKENNING

Toch valt er wel enige verwantschap te bespeuren tussen de verhalenbundel De prijs per vel van Romijn Meijer, die hier vorige week besproken werd, en de polemische autobiografie van Bindervoet en Henkes. In beide gevallen is de satirische toon ingegeven door miskenning. Zoals Romijn Meijers hoofdpersoon een vernederende rondgang moet maken langs allerlei uitgeverijen om zijn manuscript gepubliceerd te krijgen, zo vindt de geschiedenisstudent Anton Wachterromans maar geen onderdak voor zijn honenende pamfletten.

In beide boeken speelt K. L. Poll een belangrijke rol. In De prijs per vel treedt hij op als de boze genius Firdywalde, die de schrijver tot zwijgen wil brengen, in Autobiografie van een polemist is hij juist de redder in de nood. Professor Bodegraven, zoals hij deze keer heet, is Enig Redacteur van Literair Tijdschrift. In dat blad mag Anton Wachterromans, na vergeefs te hebben aangeklopt bij Andere Tijden, Skript, Folia Civitatis en Propria Cures schrijven wat hij maar wil. Wel probeert professor Bodegraven met verstandige adviezen het weerbarstige talent van zijn pupil in betere banen te leiden. Zo houdt hij hem voor dat zijn gekijf op den duur tot niets zal leiden. “Je kunt wel op dode ezels blijven slaan, op versleten toetsenborden blijven hameren. Er wordt niet vernietigd, er komt integendeel alleen maar bij. Je moet die lange wintertenen waar je op trapt maar eens laten voor wat ze zijn.” Ook wijst hij de doordravende polemist op het isolement waarin hij langzaam maar zeker verstrikt is geraakt. “Je bent wereldvreemd geworden, je begrijpt de mensen niet meer en zij jou ook niet. Niemand weet waar je het over hebt.” Hier spreekt hij een waar woord, want lang niet altijd zijn autobiografie en polemiek van elkaar te onderscheiden in Autobiografie van een polemist.

Net als hun collega's Bril en Van Weelden zijn Bindervoet en Henkes goed op de hoogte van wat er zich afspeelt in het hier en nu, dat wil zeggen in het hier en nu van Amsterdam. Het werkterrein van Bril en Van Weelden ligt vooral in het oosten van de stad, in en rond de Dapperbuurt, terwijl Bindervoet en Henkes meer vanuit het centrum opereren, rondom Dam, Spui en Nieuwmarkt. Beide duo's verzetten zich tegen de uitwassen van de eigen tijd, maar Bindervoet en Henkes stellen zich daarbij het meest kwetsbaar op. Anders dan Bril en Van Weelden die in de eerste plaats een abstracte vijand bestrijden ('de' tijd, 'de' vooruitgang), meten Bindervoet en Henkes zich op grimmige wijze met concrete tegenstanders.

STINKSTAD

Anton zet zich in zijn pamfletten af tegen de universiteit die op zou leiden tot 'de wellustige leegte van de Iedereen', tegen universitaire docenten, tegen studenten, schrijvers, journalisten, redacteuren, en ten slotte ook nog tegen 'die stinkstad' Amsterdam, die gevuld is met 'Kalvermensen'.

Bindervoet en Henkes proberen in Autobiografie van een polemist aan te tonen dat de mens een kudde-mentaliteit heeft, en om die reden steeds opnieuw aangevallen moet worden. Wie zich niet wenst aan te passen, zoals Anton Wachterromans, is gedoemd tot een eenzaam en strijdbaar lot. Op een vergelijkbare manier beschouwen Bindervoet en Henkes zichzelf, denk ik, als strijdbare debutanten, die op geen enkele manier rekening hoeven te houden met hun lezers. Het is hun begonnen om de bevrijding van 'het geschreefde woord', zoals het ergens heet. Zij bedienen zich in hun autobiografie van verschillende registers. Nu eens wordt er vlot gebabbeld, dan weer gestotterd, soms zijn er passages in een ongrammaticale Indianentaal, dan is er weer een hoofdstuk in een soort vooroorlogse taal. Tot hun geliefde stijlmiddelen behoort de tautologie ('Het was een pijnloze ingreep waar je niks van voelde'), de contaminatie ( 'het verkeerde keelgat in de maag splitsen') en de verhaspeling van woorden ('homuncuculus', 'een allegarie') en uitdrukkingen ('de schellen vielen hem van de oren'). Soms bereiken ze met dit afwisselende taaleigen een bijzonder komisch effect, maar de helderheid van het verhaal - dat toch al een bochtig verloop heeft en bizar eindigt - wordt er niet altijd door vergroot.

De wereld van Anton Wachterromans is een studentikoze en daardoor nogal particuliere wereld. Je moet er goed in thuis zijn om de beschrijving en vooral de bestrijding ervan te kunnen begrijpen en - wie weet - waarderen.

Wie nog nooit een college van Wim Theehuis in het Pedagogisch Didactisch Instituut heeft bijgewoond, zal zich niet veel kunnen voorstellen bij de verontwaardiging over de lessen algemene didactiek. Wie de historici M. C. Brands en W. Roobol en hun publikaties niet kent, leest met weinig belangstelling over hun tekortkomingen. Wie, zoals ik, wel eens in de Amsterdamse redactielokalen van 'NSB Handelsblad' is geweest merkt trouwens dat hij weinig aan die kennis heeft.

    • Janet Luis