Handje plak en Groen groen grasje; Illustraties van Nelly Bodenheim

“Zoals zij weet ik echt geen andere, zo lief, zo spottend, zo nobel en, vooral, zo levend.” Reinold Kuipers, voormalig uitgever van Querido, verzamelt al sinds zijn negentiende jaar alles wat hij van de illustratrice Nelly Bodenheim te pakken kan krijgen. Deze week opent een tentoonstelling van haar werk in het Amsterdams Historisch Museum. “Uit de foto's die van haar zijn overgeleverd kijkt een schalkse doenster ladylike toe.”.

Expositie Nelly Bodenheim in Amsterdams Historisch Museum. T-m 10 mrt. Inl. (020-5231822)

Het moet, dunkt mij, zowat in 1920 zijn geweest dat in de Groninger keuken van mijn grootmoeder Kuipers haar ongetrouwde zuster, de oudtante Trientje die het lieve factotumpje van de familie was, mijn nichtje Tity en mij voorlas uit Handje plak (1900), een boekje met bakerrijmpjes waarbij gekleurde plaatjes en zwartjes, silhouetten dus, de vaak geheimzinnige woorden zichtbaar maakten. Zo leerde ik op ten naaste bij zesjarige leeftijd zonder het te beseffen Nelly Bodenheim (1874-1951) kennen in de intieme zetting die haar waarschijnlijk bij het tekenen voor ogen had gestaan. Het verging mij met Tity net als vele andere kindertjes want Handje plak was, evenals het 'vervolg' met de titel Het regent, het zegent (1901), de ideale bron om het collectieve geheugen van anonieme poezie aan het jonge volkje te openbaren. S. Abramsz' Versjes uit de oude doos kon er met de prentjes van Jan Wiegman destijds ook voor dienen. Dr. J. van Vlotens Nederlandsche baker- en kinderrijmen, de negentiende-eeuwse pioniersverzameling, was te geleerd en qua boekvorm te saai voor de jeugdige doelgroep. Ik spreek mijn geluk uit over de argeloze kennismaking met juist Handje plak, waarvan de creatrice mij dierbaar is geworden.

Later kreeg ik van een tante aan moederszijde, wier identiteit ik correctheidshalve maar niet nader preciseer, een kloek prentenboek dat De pruik van Cassander (1925) heette. Ik kon het, zo klein als ik blijkbaar nog was, niet bevamen en het verdween - zonder het benul dat het met Handje plak de illustratrice gemeen had - al spoedig. Misschien boeiden Dik Trom en Pietje Bell mij ook meer.

Pas toen ik zo'n jaar of negentien was, werd ik mij van Nelly Bodenheim als beeldende kunstenares die in het bijzonder met kinderboeken haar oeuvre vormde, hoewel zij wel degelijk ook unica produceerde, blij bewust. Ik verwierf Handje plak en Het regent, het zegent van het meisje dat ik kort maar hevig beminde. Ik ging door met wat bij een vrij platte beurs mijn verzameling zou worden. Tegen het einde van de jaren dertig kocht ik in de ramsj die de Franse bazar uitstalde 12 sprookjes en rijmpjes (1908), Luilekkerland (1915), Groen groen grasje (1923) en, herkennend, De pruik van Cassander, waarvan ik bij een antiquariaat voor geen geld ook nog een exemplaar aanschafte, waarin een schets van Nelly Bodenheim voor de band bleek te liggen.

Tijdens de Bezetting vond ik, wellicht uit de behoefte aan iets spiritueels en edels, dat ik Nelly Bodenheim maar eens moest bezoeken om van mijn verering te getuigen. Ik wist dat zij vanouds mijn woonplaats, Amsterdam inmiddels, met mij deelde. Ik maakte mijn opwachting in de Valeriusstraat en werd ten bovenhuize onthaald op een weelde aan fijnzinnige scheppingen, waarvan mij het kinderservies dat zij als De familie Kakelbont bij rijmpjes van Lizzy Ansingh had ontworpen en dat, de kunst indachtig, in een vitrinetje stond, helder is bijgebleven; het was nieuw voor mij. Ik mocht ook op haar atelier in een koopmanspaleis aan de Herengracht komen. Op grote tafels lagen onder glas aquarellen voor onuitgegeven boekjes. Er hingen illustratieve borduursels, op in metalen kaders gespannen stramienen delicaat vervaardigd, aan de muren; een portret-in-naaldwerk van Josephine Baker vrolijkte een wand op. De schepster van dit alles en nog veel meer was een kleine vrouw, een pittig, guitig maar ook hartelijk dametje, dat de hoofdstedelijke grachtengordel en het ooit deftige Zuid-ter-plaatse perfect representeerde. Van mij, precies veertig jaar jonger dan zij, aanvaardde zij minzaam de opdracht om een gedicht dat ik pas had gemaakt volgens haar inzicht te verluchtigen; ik kreeg ook nog twee tekeningen ten geschenke.

MIDDENSTAND

Nelly Bodenheim was afkomstig uit de tot welvaart gekomen middenstand. De opbloei van Amsterdam in de tweede helft van de negentiende eeuw moet hebben bijgedragen tot het commerciele succes van de gedistingeerde kleermakerij die het gezin waartoe zij behoorde in respectabele huizen aan sjieke grachten of het Willemsparkwegkwartier woonachtig deed zijn. Het geslacht was, zoals voor vele winkeliers en handwerkslieden die in goeden doen raakten gold, uit Duitsland afkomstig. Ik stel mij wel eens voor dat Nelly Bodenheim als kind nog biedermeierachtige centsprenten van haar grootouders in handen heeft gehad; haar vroege werk lijkt mij een vernederlandste ironisering daarvan.

Haar tekenopleiding kreeg Nelly Bodenheim via een cursus in het Gebouw voor den Werkende Stand op de Kloveniersburgwal, op de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten aan de Stadhouderskade en, prive, van Jan Veth te Bussum. Jan Veth en, later, diens neef Cornelis hebben er in geschrifte voor gezorgd dat haar prestaties alras au serieux werden genomen en niet op een lijn gesteld met die van vele illustratrices-in-opdracht die gelijktijdig met haar, dikwijls als massa-producentes en soms ook waarlijk uitnemend, bezig waren. Wat Nelly Bodenheim maakte, diende - aangezien het praktisch altijd uit haar eigen initiatief voortkwam - als kunst te worden beschouwd, misschien ook een beetje doordat zij tot de Amsterdamse Joffers behoorde. Deze waren een hechte groepering van vooral schilderende vriendinnen die samen op de Rijksakademie onder August Allebe hadden gestudeerd. Een vereniging vormde het achttal, van wie Lizzy Ansingh, Coba Ritsema en Jacoba Surie vermoedelijk, als schilderessen dan, de aanzienlijksten waren, heel bewust niet; er was bij het praten over de arbeid gekozen voor de gezelligheid. Men portretteerde elkaar geregeld; van Nelly Bodenheim bestaan conterfeitsels door Lizzy Ansing, Jo Bauer-Stumpff en Coba Ritsema. Uit deze werkstukken en uit de foto's die zijn overgeleverd kijkt een schalkse doenster ladylike toe. Het is allerminst ondenkbaar dat op de groepsfoto van de Rijksmuseumleerlingen zij zich tegen de gedragscode in languit op de voorgrond heeft uitgestrekt; de anderen zitten er wat bevangen bij.

TWEE FASEN

Het gedrukte werk van Nelly Bodenheim vertoont hoofdzakelijk twee fasen, die ook in haar 'vrije' werk tot uiting komen. In de eerste periode komt zij over als een aandachtige, goedige, geestige miniaturiste die alledaagse mensen weergaf of hen met illustraties bij toverachtige teksten bediende. Ik denk aan Handje plak, Het regent, het zegent, Raadsels (1902), Backe backe Kuchen (1904), 12 sprookjes en rijmpjes, Luilekkerland, ABC (1917) en Groen groen grasje. Ik heb in deze opsomming opzettelijk In Holland staat een huis (1903) niet genoemd; dit boekje preludeert met een lossere stijl en historiserend op het tweede tijdperk. Van 1900 tot en met 1915 was de Amsterdamse, vooruitstrevende S. L. van Looy Nelly Bodenheims uitgever. ABC kwam bij Nijgh en Van Ditmar te Rotterdam uit en Groen groen grasje bij Van Holkema en Warendorf, weer in Amsterdam. Het ziet er naar uit dat de publieke belangstelling voor haar na de aanvankelijke furore was afgenomen zodat zij naar incidentele uitgeefmogelijkheden moest zoeken. Belangrijker voor het boekvormelijke welslagen van haar werk dan de uitgevers, waren de steendrukkers, op wie zij technisch was aangewezen.

Zij lithografeerde incidenteel zelf, maar was overigens afhankelijk van de bekwaamheid en het dienende begrip voor wat haar waarmerk was van de ambachtslieden die zij kreeg toegewezen. Zij had het geluk, als zij dit niet zelf een zetje heeft gegeven, dat haar uitvoerders alle in Amsterdam werkten; zij kon er gemakkelijk heen om wensen te bespreken. Soms had zij pech; Raadsels is door een zekere onbeholpenheid in de chromo's van Belderbos en Coesel minder geslaagd dan wat ervoor door Senefelder en erna door Tresling en Co. is gedaan. Mijn geestdriftige voorkeur gaat uit naar Groen groen grasje, waarvan een teder genie bij Luii en Co. iets subliems heeft gemaakt. Het boekje is mede een getuigenis van de vooruitgang in de kleurensteendruk sinds 1900, toen deze, in Nederland althans, nog tamelijk onontwikkeld was en de inspirerende werking van de kunstenaarslitho's niet of nauwelijks had ondergaan. Handje plak heeft bij de onomstrijdbare schoonheid iets primitiefs, dat overigens ook als een charme ervaren kan worden, wat ik doe; Groen groen grasje is in mijn verliefde visie volmaakt tot in de subtiele, haast verborgen details, die tot herhaaldelijk kijken nopen.

SCHILDERACHTIG

Na Groen groen grasje beoefende de, tot dusver, echte tekenares Nelly Bodenheim een meer schilderachtige trant van illustreren. Dit blijkt al uit de grote prenten van De pruik van Cassander, door G. B. van Goor Zonen te 's-Gravenhage uitgegeven; de identiteit van de drukker is duister. Van Goor was slechts een tussenstation. De Spieghel te Amsterdam nam haar onder de kennelijk liefdevolle hoede. Dit fonds werd geleid door twee kunstzinnige vrouwen, Tine van Klooster en Koos Schregardus. Zij brachten eerst Een vruchtenmandje (1927) uit, voor de amateurs in honderd exemplaren door Dieperink en Co. gedrukt. Het zwart was door Nelly Bodenheim op de stenen getekend en de kleuren waren door haar met de hand aangebracht. De forse prenten stellen satirisch vermenselijkte vruchten voor; de rijmpjes erbij zijn van Lizzy Ansingh. Het geheel heeft, ook naar de manier van uitgeven, iets Frans. Een vruchtenmandje is echt een kunstenaressenboek. Nelly Bodenheim lijkt door de lichte toets van de Parijse avant-garde te zijn beinvloed. De Spieghel ging door, met Franse liedjes (1928), verlucht met zwierige, historiserende silhouetten in boekdruk, Waarom en waardoor (1936), een 'nieuwe natuurlijke historie' op basis van 'oude volksverhalen' met litho's in kleuren van een niet achterhaalde drukker, en, na de Tweede Wereldoorlog pas, Chansons de France (1946), een uitgebreide variant van Franse liedjes, dat als zogezegd eerste deel op een voortzetting had gewacht.

Een echt liefdewerk was Tante Tor is jarig (1950), door Jean-Paul Vroom naar de tekeningen van Nelly Bodenheim en met de rijmpjes van Lizzy Ansingh in zwart gelithografeerd en met de hand gekleurd. De 200 exemplaren waren bestemd voor de bibliofiele begunstigers van de stichting De Roos en de vereniging Quellinus.

ONMOGELIJK

Wie illustratiewerk te vergeven heeft gehad, weet dat de vrije tekenaar wel eens onmachtig bleek te zijn, een opdracht volgens de blijde verwachting uit te voeren, doordat de vereenzelviging met de tekst onmogelijk was; van het meesterschap was dan niets te merken. Aan het oeuvre van Nelly Bodenheim is dit met enkele voorbeelden te demonstreren. Zij heeft vier lange teksten, niet door haar zelf gekozen, van plaatjes te voorzien gehad. Met G. W. van Vierssen Trips De gelaarsde kat (1924), een amusante 'vertelling van een merkwaardige strafzaak', is haar dit met zwartjes wonderwel gelukt. De twee meisjesboeken waarvoor zij tekeningen heeft gemaakt, Tine van Berkens Rietje's pop (1896), dus van voor Handje plak, en Anke Servaes' Gerda (1937), tonen haar bar onbezield. Ronduit lelijk en geveld door krachteloosheid manifesteert zij zich in Rudy Voorhoeves Tiliauw, de Sawia; kan het dat zij de dames van De Spieghel, die het boek hebben uitgegeven, niet voor de welwillende hoofden vermocht te stoten en aan de slag ging met iets dat haar vreemd was?

Behalve de boeken, ook de tot nu toe niet uitgegevene, het servies en de borduursels heeft Nelly Bodenheim nog veel meer gemaakt; gedrukt is er overvloedig. Alles bij elkaar vormt het een levenswerk dat in zijn grootheid alleen staat. Zij is niet in te delen. Bij de Nieuwe Kunst hoort zij niet of het moet met haar belettering zijn; als zij er zelf de hand in heeft gehad, doet deze aan George Auriol, de Franse Art-Nouveauman, denken. Als verluchtster is zij waarlijk uniek. Het geeft geen pas, haar met Kate Greenaway, Henriette Willebeeck le Mair en Rie Cramer, wier namen in verband met haar nu en dan vallen, te vergelijken. Zoals zij weet ik echt geen andere, zo lief, zo spottend, zo nobel en, vooral, zo levend.

    • Reinold Kuipers