Eindelijk meer optimisme over regeling voor Euro-nv; EG-landen koesteren vennootschappelijke aberraties

STRAATSBURG, 25 JAN. In Frankrijk heten ze 'societe anonyme', in Duitsland 'Aktiengesellschaft' en in Italie 'societa per azioni'. De regels waaraan ze zich moeten houden zijn vergelijkbaar, maar nergens hetzelfde. Bij veel van deze naamloze vennootschappen bestaat grote behoefte aan een uniforme rechtsvorm. Dat zou ze een heleboel fiscale en administratieve rompslomp schelen.

Al sinds 1959 wordt geprobeerd een dergelijke Euro-nv tot stand te brengen. Maar alle voorstellen strandden tot dusver door onenigheid binnen de Europese Gemeenschap. “Vennootschapsexperts zijn nog erger dan experts in het algemeen al zijn. Ze vinden allemaal dat de regeling in hun eigen land de beste is”, zegt Europees commissaris M. Bangemann.

Op de brede schouders van deze Duitse liberaal rust de taak een nieuwe poging te wagen. De tijd dringt. Algemeen wordt het als een blamage gezien als er niet ten minste iets is geregeld wanneer de binnengrenzen worden opgeheven. Want wat moet Europa met een interne markt als elke lidstaat zijn eigen vennootschappelijke aberraties blijft koesteren.

Bangemann toonde zich deze week in het Europees parlement in Straatsbrug optimistisch over de goede afloop. Hij stoelt dit op de in het parlement bereikte politieke overeenstemming (tussen sociaal-democraten, christen-democraten en conservatieven) over een regeling van de medezeggenschap van werknemers in een Europese vennootschap (afgekort SE, Societas Europea).

In essentie komt het compromis erop neer dat internationaal opererende bedrijven (voorlopig) niet worden verplicht zich om te vormen tot een SE, maar als ze dat wel doen, moet de inspraak van werknemers zijn gegarandeerd. “Zonder medewerking van de werknemers zal geen Europese vennootschap kunnen worden opgericht”, aldus Bangemann.

Door zich achter deze koppeling tussen rechtsvorm en medezeggenschap te scharen is de Europese Commissie in feite gezwicht voor de druk van het parlement. Dat klaagt al geruime tijd over het schrille contrast in de Gemeenschap tussen de haast op het vlak van economische en monetaire integratie en de trage inkleuring van Europa's 'sociale gezicht'.

In het verleden maakte deze kritiek niet zoveel indruk, zegt W. van Velzen, lid van de sociaal-democratische fractie in het parlement. “Dat is veranderd. Het risico is nu levensgroot dat het parlement weigert nog langer mee te werken aan de verdere eenzijdige economische ontwikkeling van de interne markt. Daardoor kunnen onze voorstellen op sociaal gebied niet meer zo gemakkelijk door het riool worden gespoeld.”

Voor de medezeggenschap van werknemers kan de Europese vennootschap straks kiezen uit drie modellen. In het eerste, afgeleid van de Duitse 'Mitbestimmung', kiezen werknemers ten minste een derde en ten hoogste de helft van de leden van raden van toezicht of bestuur. In het tweede model worden de werknemers vertegenwoordigd in een afzonderlijk orgaan dat over belangrijke zaken moet worden geinformeerd en geconsulteerd. Dit komt overeen met onze ondernemingsraad. Ten slotte kan de medezeggenschap contractueel worden geregeld tussen bedrijf en personeel of tussen hun nationale representanten. Dit sluit aan bij de in Groot-Brittannie, Spanje en Italie gegroeide praktijk.

“Het probleem was niet op een lijn te komen met de continentale socialisten”, zegt de christen-democratische Euro-parlementarier J. Janssen van Raay. “De grote moeilijkheid was de Britse socialisten af te brengen van hun ouderwetse conflictdenken.” Zijn Britse collega Chr. Oddy, afkomstig uit de gelederen van de vakcentrale TUC en mede-architecte van het compromis, beaamt de invloed van het Thatcherisme. “In de Britse context is de verandering revolutionair. Door de recessie zijn ook onze managers tot inkeer gekomen. Samen met de vakbonden hebben ze het conflictmodel als het ware levend begraven.”

Beide elementen - de niet-verplichte rechtsvorm en de keuze uit drie inspraak-modellen - sterken commissaris Bangemann in zijn overtuiging dat in de Europese ministerraad, die uiteindelijk moet beslissen, de vereiste unanimiteit wordt gehaald.

Daarna gloort volgens Van Velzen hoop voor een nieuwe versie van de zogenoemde 'Vredeling-richtlijn'. De voormalige Europees commissaris die hieraan zijn naam gaf, wilde halverwege de jaren zeventig ondernemingen verplichten hun werknemers te raadplegen bij belangrijke beslissingen. Het voorstel kreeg steun van het parlement maar maakte in de ministerraad geen schijn van kans.

Door de koppeling tussen medezeggenschap en Europese vennootschap zal het tij keren, verwacht Van Velzen. “Als je eenmaal hebt geaccepteerd dat werknemers invloed moeten kunnen uitoefenen op het bestuur van een Europese vennootschap, heb je geen steekhoudend argument meer om het niet ook aan andere bedrijven voor te schrijven.” Voor bedrijven in landen als Duitsland en Nederland maakt dat geen verschil, maar voor ondernemingen in de Zuideuropese lidstaten zou dat “een normerende uitwerking” hebben.

Die mening wordt gedeeld door B. Pronk van de christen-democratische fractie in het Euro-parlement. “De aantrekkelijkheid van de Europese vennootschap wordt in hoge mate bepaald door het fiscale regime. Daaraan wordt druk gesleuteld en dan krijgt het vanzelf een sneeuwbaleffect. Het is als een embryo, het moet groeien. Vergelijk het met de Europese munteenheid Ecu.”