Duits kort

Ludwig Harig: Weh dem, der aus der Reihe tanzt. Uitg. Hanser. Prijs fl. 45,90. Hilde Spiel: Lisas Zimmer. Uitg. Rororo. Prijs fl. 13,60. Siegfried Lenz: Die Klangprobe. Uitg. Hoffmann und Campe. Prijs fl. 55,90 Siegfried Lenz: Das Serbische Madchen. Uitg. DTV. Prijs fl. 14,65 Richard Wagner: Die Muren von Wien. Uitg. Luchterhand. Prijs fl. 39,20 Robert Walser: Aus dem Bleistiftgebiet. Mikrogramme 1924-25. Uitg. Suhrkamp. Prijs fl. 42, - (twee delen).

Aandachtig een klassefoto uit 1935 bekijkend, bekruipt de verteller in Ludwig Harigs roman Weh dem, der aus der Reihe tanzt het gevoel dat “het leven bedrieglijker is dan de herinnering”. Waarom vindt hij op de foto niet het klasgenootje terug dat altijd door iedereen getreiterd werd? Klopt zijn herinnering dan niet dat dit ene jongetje van meet af aan het zwarte schaap was? Hij redeneert: “Wij hadden hem nodig, hij was zo nuttig in ons Duitse karakterstuk waarin immers nooit de buitenstaander mag ontbreken, of het nu een jood is, een zigeuner of een Fransman”. De jonge Harig koos zonder erover na te denken voor een veilig bestaan in de grote groep. Hij haatte iedereen die niet bij de massa wilde horen en komt er nu rond voor uit dat hij tijdens het nazibewind een weerzinwekkend meelopertje was. De manier waarop hij zijn verhaal vertelt geeft weinig blijk van een serieuze omgang met dat pijnlijke verleden. Zo bekent hij nu dat hij ooit vol overtuiging een referaat over “de typische karaktertrekken van het jodendom” hield. Hij schaamt zich daar nu voor, maar zegt ook: “Ik gebruikte woorden die ik maar half begreep.” Een misplaatste verontschuldiging.

Ludwig Harig: Weh dem, der aus der Reihe tanzt. Uitg. Hanser. Prijs fl. 45, 90.

Heel wat betrokkener schrijft Hilde Spiel over het verleden in haar roman Lisas Zimmer, waarvan een herdruk verscheen. “Vrijwel zonder uitzondering waren Lisa's gasten figuren uit de verte en uit het verleden, symbolen voor alles wat dood en achterhaald was; de schaduwen van doden, maar desondanks op een macabere wijze indrukwekkend.” Hoe onbetekenend de Europese emigranten die hier worden bedoeld in Amerika ook mogen zijn, op de feestjes van gastvrouw Lisa voeren zij hoogdravende discussies over de toekomst van de wereld en over de verspreiding van cultuur, die opnieuw van het zogenaamde avondland zou moeten uitgaan. In Amerika voelen deze voor de nazi's gevluchte schrijvers en kunstenaars zich niet thuis; zij kijken vol verachting neer op de 'cultuurloosheid' van Lisa's man, een eenvoudige Amerikaan, die goed genoeg is om de drankvoorraad op peil te houden, maar verder, ook al is hij gastheer, zijn mond moet houden. Dat doet hij ook wel, want hij walgt van de decadente, 'ongezonde' Europeanen. De oorlog is voorbij; waarom gaan de emigranten niet terug naar Europa? Ze vegeteren liever in de schijnwereld die ze in New York gecreeerd hebben dan te helpen bij het opruimen van de puinhopen van het oude Europa. Lisa sterft, verslaafd aan drugs en aan waandenkbeelden. Haar dienstmeisje trouwt met de ongelukkige weduwnaar en dat is misschien het enige zwakke punt van dit boek.

Hilde Spiel: Lisas Zimmer. Uitg. Rororo. Prijs fl. 13, 60.

Alles is vergankelijk. Dat mag waar zijn, maar een reden om bij de pakken te gaan neerzitten is dat niet. Siegfried Lenz wijdde een dikke roman aan dit onderwerp, Die Klangprobe. Het van de vergankelijkheidsmotieven bol staande verhaal voorzag hij van enige spanning, maar dat lijkt vooral bedoeld als concessie aan een lui leespubliek. De detective van een groot warenhuis wordt verliefd op een dievegge die hij al een tijdje met de camera in de gaten houdt. In plaats van haar aan te geven volgt hij haar naar huis en weet hij zelfs haar woning binnen te komen. Op haar boekenplank vindt hij iets dat hij kent en dat voor een band met het meisje zorgt; het zijn de paar boeken die zijn broer schreef voordat hij zelfmoord pleegde.

De detective woont nog steeds bij zijn ouders. Zijn vader is een knorrige beeldhouwer die geconfronteerd wordt met de vergankelijkheid van zijn kunst; als gevolg van milieuverontreiniging verweren de beelden die hij maakt sneller dan was voorzien. De wereld is ziek omdat de mensen ziek zijn, prent Lenz ons in. Maar of het hem echt iets kan schelen?

De herdruk van de verhalenbundel Das serbische Madchen gaf mij evenmin veel vertrouwen in Lenz' bevlogenheid. De opzet van de verhalen is telkens hinderlijk schematisch en de afwikkeling van de intrige verloopt ongeinspireerd. Kilometers van tevoren zie je de ontknoping al aankomen, zoals in het verhaal van een oude man in een rusthuis. Beticht hij een kamergenoot van grootheidswaan, dan moet hij volgens de schema's van Lenz zijn brieven zelf natuurlijk ondertekenen met 'Hoogachtend, admiraal Nelson'. Op die manier devalueert Lenz een gegeven dat op zichzelf al genoeg dramatische kracht bezit tot een botte grap.

Siegfried Lenz: Die Klangprobe. Uitg. Hoffmann und Campe. Prijs fl. 55, 90

Siegfried Lenz: Das Serbische Madchen. Uitg. DTV. Prijs fl. 14, 65

De hoofdpersoon uit Richard Wagners roman Die Muren von Wien is een uit Roemenie gevluchte Duitser, van beroep ingenieur, die in Wenen een nieuw bestaan probeert op te bouwen. Terwijl hij doelloos door de stad zwerft wordt hij achtervolgd door de herinnering aan Roemenie. Daar was zijn leven uitzichtloos, maar in Wenen voelt de ingenieur zich ook niet gelukkig. In een supermarkt ziet hij Roemeense tomaten en 'ruikt' hij de zomers van vroeger, in een antiquariaat scharrelt hij een boek op dat hij nog uit zijn jeugd kent. Toch lijden al deze 'registraties' aan bloedarmoede. Soms formuleert de ingenieur zo aforistisch dat je de zin verscheidene keren moet lezen voordat de tamelijk triviale betekenis duidelijk wordt. “De dagen hadden meer verleden dan heden “: dat klinkt topzwaar en te klinisch om navoelbare nostalgie uit te drukken. Misschien heeft Wagner (1952) in zijn taalgebruik de oeverloosheid van zijn componerende naamgenoot willen vermijden, maar het valt niet mee om met iemand mee te leven die voortdurend zinnen debiteert waaraan 'geen grammetje vet' zit.

Richard Wagner: Die Muren von Wien. Uitg. Luchterhand. Prijs fl. 39, 20

In een poging de crisis waarin hij verkeerde te overwinnen, noteerde de Zwitser Robert Walser (1878-1956) rond 1924 dagelijks op losse blaadjes wat hem bezighield. Naast gedichten en observaties bevatten deze blaadjes schetsen voor de later te verschijnen roman Der Rauber. De beheerder van de literaire nalatenschap, Carl Seelig, kon de minuscule lettertekens niet lezen en noemde het een 'onontcijferbaar geheimschrift'. Na jaren van noeste acribie door een wetenschappelijk team kon Aus dem Bleistiftgebiet. Mikrogramme 1924-25 worden gepubliceerd. De heruitgave van deze belangwekkende aanvulling op het verzameld werk zal vooral de doorgewinterde Walserliefhebber interesseren. Hier openbaart zich de schrijver in zijn 'rauwe' vorm. Als kennismaking zijn deze teksten door het wetenschappelijke karakter van de editie minder geschikt.

Walsers proza heeft vaak een betoverend effect. De eeuwig rondwandelende schrijver ondernam overdag en 's nachts uitputtende 'Gewaltmarsche'. Zijn proza maakt allerminst een geforceerde indruk. Walser heeft zo'n ongeveinsd vriendelijke kijk op de wereld dat het een genoegen is om met hem mee te mogen zien. Ademloos, als in trance, rijgt Walser zijn observaties en associaties aaneen. In een mooi stukje over een lange wandeling noemt hij bij voorbeeld de jaartallen die hij op een paar zerken ziet en rekent hij uit hoe oud de gestorvenen waren: “Wat een goede gelegenheid om te oefenen in hoofdrekenen. Vervolgens werd een ijzerwarenwinkel waargenomen. De brug waarover hij liep dateerde uit de zestiende eeuw. De architect heette Salchi, dat stond met bescheiden trots geschreven op een balk en je moest denken aan de paleizen die legeraanvoerders destijds lieten bouwen en hoe toen dieven publiekelijk afgeranseld werden; en nu kwam een lange lijnrechte straat en een klein meisje ging snel naar binnen toen hij haar passeerde en hij riep haar toe: 'Je hoeft je niet te verstoppen'.” Kort na het afsluiten van deze 'microgrammen' zette Walser een punt achter zijn schrijversloopbaan. De crisis werd nooit echt overwonnen.

Robert Walser: Aus dem Bleistiftgebiet. Mikrogramme 1924-25. Uitg. Suhrkamp. Prijs fl. 42, - (twee delen).