De Graaff denkt aan verplicht samenwerken stedelijke gebieden

DEN HAAG, 25 jan. - Staatssecretaris De Graaff-Nauta (binnenlandse zaken) overweegt een aantal stedelijke gebieden met behulp van een Interimwet te verplichten tot regionale samenwerking.

Dit bleek gisteren bij de overhandiging van een rapport van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) waarin de invoering van de zogeheten Wet gemeenschappelijke regelingen wordt geevalueerd.

Uit het rapport blijkt onder meer dat in bepaalde stedelijke gebieden de regionale samenwerking niet van de grond is gekomen. Het gaat bijvoorbeeld om de regio's Amsterdam en Rotterdam. De staatssecretaris noemde de toepassing van de wet in een aantal stedelijke gebieden “volstrekt onvoldoende”.

Bij veel gemeenten bestaat de vrees dat gemeenschappelijke regelingen onoverzienbare financiele gevolgen kunnen hebben en dat lokale belangen ondergeschikt raken aan de belangen van de grootste gemene deler. Ook worden er vraagtekens gezet bij het democratisch gehalte van regionale besturen.

De oorspronkelijke Wet gemeenschappelijke regelingen dateert uit 1950 en verruimde de mogelijkheden tot intergemeentelijke samenwerking. Dit was nodig omdat er geen geschikt bestuurlijk kader was voor bepaalde boven-gemeentelijke bestuursproblemen. Het gaat bijvoorbeeld om de woning- en arbeidsmarkt, het in stand houden van grootschalige voorzieningen, afstemming van grotere wegen en openbaar vervoer, en, tegenwoordig, om een gezamenlijk milieubeleid.

In de in 1983 verschenen nota Organisatie Binnenlands Bestuur werd een gehele herziening van de wet gemeenschappelijke regelingen nodig geacht om de samenwerking tussen gemeenten te bevorderen. In 1985 trad de nieuwe wet in werking en op 1 januari 1990 was de invoeringsfase van de wet voltooid.

De herziening van de wet werd in 1983 noodzakelijk gevonden omdat tegen de gegroeide praktijk van intergemeentelijke samenwerking een aantal bezwaren bestonden. De samenwerking was onoverzichtelijk ( “een lappendeken” ), nauwelijks te controleren en er waren geen garanties voor samenhangend beleid. Uit het rapport blijkt dat de nieuwe wet op deze punten overigens nauwelijks geslaagd is. Zo is het nog steeds onduidelijk hoeveel gemeenschappelijke regelingen er precies zijn. Voor de invoering van de nieuwe wet zouden dit er rond de 1.500 zijn, op dit moment volgens het rapport ongeveer 800.

Ook blijkt de ordening op basis van 59 zogeheten WGR-regio's voor een belangrijk deel teniet gedaan door andere gebiedsindelingen die niet met elkaar sporen. Een voorbeeld hiervan is de politieregio-indeling. De onderzoekers stellen in verband hiermee dat de coordinerende rol van Binnenlandse Zaken “minder goed uit de verf is gekomen”.