Brandende bron in een week te blussen

ROTTERDAM, 25 jan. - Vier bedrijven in de Verenigde Staten, die zijn gespecialiseerd in het bedwingen van grote olie- en gasbranden, zouden zijn benaderd door de Amerikaanse overheid om, zodra de militaire situatie het toelaat, de brandende oliebronnen in Koeweit te blussen.

Ook het Nederlandse bedrijf A en S Well Service in IJmuiden staat in de startblokken om naar het Midden-Oosten te reizen. Voor zover bekend zijn er nog geen definitieve contracten afgesloten.

Een van de Amerikaanse bedrijven in de race is uiteraard dat van de befaamde Paul Adair, bijgenaamd 'Red' wegens zijn vroeger zo vlammende haardos. De inmiddels grijze 75-jarige superblusser heeft meer dan duizend grote olie- en gasbranden en blow-outs (waarbij aangeboorde olie of gas met enorme kracht omhoog spuit) tot bedaren weten te brengen. Een van zijn meest recente acties die de wereldpers haalden was het blussen van de brand op de Piper Alpha, het olieplatform dat in juli 1988 voor de Schotse kust in brand vloog.

Niet bekend

In principe vereist elke brand een aparte aanpak, omdat de omstandigheden als druk en bodemgesteldheid van put tot put verschillen. “Een oliebrand is moeilijker dan een gasbrand. Olie is veel heter en moeilijker te blussen”, zegt J. Arends, directeur van A en S Well Services.

Koelen is een eerste vereiste bij brand, niet alleen om het vuur binnen de perken te houden, maar ook om het werken mogelijk te maken, want de hitte-ontwikkeling is enorm. Rondom de brand worden meestal zes tot acht brandblusinstallaties ingezet die hele waterschermen produceren. De meeste maatschappijen zorgen voor voldoende voorraad water. In gevallen waarin er niet genoeg water is moeten de brandbestrijders ernaar boren.

Er zijn grofweg twee methoden om de brand onder bedwang te krijgen. 'Red' Adair maakt vaak gebruik van explosieven. Bij deze beproefde methode wordt een grote lading dynamiet vlak bij de bron tot ontploffing gebracht. Door de explosie ontstaat korte tijd een soort vacuum boven de put. Het gebrek aan zuurstof doet de vlam doven. Dat is zeer specialistisch werk, legt Arends uit. “Het is bijvoorbeeld belangrijk te weten hoe groot de druk in de put is. Daarop baseer je de hoeveelheid springstof. Gebruik je te veel of te weinig dan heeft het geen effect.” De explosieven moeten boven de put worden gebracht met een speciale, bemande kraan die in de enorme hitte zo dicht mogelijk in de buurt moet zien te komen. Blusinstallaties zorgen ervoor dat de kraan koel wordt gehouden. Arends: “Die kraan krijgt altijd een dreun mee van de explosie. Als er iets mis gaat ben je je hele kraan kwijt.”

Wanneer de vlam is gedoofd spuit nog steeds gas en olie naar boven. De hitte is nog groot en het explosiegevaar hoog. Het is dan zaak razendsnel een afsluiter aan te brengen. Arends: “Wij doen dat met twee mensen. Het is op zo'n moment een ontzettend lawaai. Ze horen en zien niets en het is nog knap heet. Daarom staat er altijd een derde man bij om in de gaten te houden of er iets mis gaat.” Aan de zijkant van de aansluiter wordt een pijpleiding aangebracht via welke het mengsel op veilige afstand tot ontbranding wordt gebracht. Bovenop de eerste aansluiter komt nog een heel systeem van buizen en afsluiters. Door die segmenten wordt een dunnere pijp geperst. De druk wordt weer op peil gebracht met hulp van een zware vloeistof die door deze pijp naar beneden wordt gepompt. Daarna kan worden begonnen met de nodige reparaties.

Als de Irakezen ertoe overgaan honderden velden in brand te steken is deze methode volgens Butler minder geschikt. Het vuur van de omringende brandhaarden zou het ontsnappende mengsel makkelijk weer in brand kunnen doen vliegen. Ook als tot diep onder de grond de veiligheidskleppen zijn vernietigd en er niets over is om af te sluiten moet de tweede blusmethode worden toegepast. Die is tijdrovender en duurder.

De blussers boren daarbij een tweede 'relief'-put in de buurt van de brandende bron. Het aanleggen daarvan kan weken tot maanden in beslag nemen. BP-man Butler schat de diepte waarop moet worden geboord tussen de 1.350 en 4.500 meter. De put moet in een dusdanige hoek worden gegraven dat hij onder de grond in contact komt met het reservoir van waaruit de brandende massa omhoog spuit. Als de twee bronnen met elkaar in contact komen valt de druk in de brandende put weg. Vervolgens wordt ook hier zware vloeistof naar beneden gepompt, die volgens de wet van de communicerende vaten in de brandende put terechtkomt en daar het vuur dooft.

Brandende olie-opslagplaatsen vormen een minder groot probleem, zegt P. de Jongh, directeur van RISC, een opleidings- en traininginstituut voor brandbestrijding op de Maasvlakte. “Bij een put weet je nooit hoeveel er onder de grond zit. Bij olie-opslag is dat makkelijker. Van opslagtanks, zoals hier in het Rijnmondgebied, weet men van tevoren hoeveel er in zit en hoeveel blusstof daarvoor nodig is. Elk bedrijf is voorbereid op brand en zorgt ervoor dat de verhouding blusstof en brandbare stof voldoende is.”

Hoeveel het blussen van een groot aantal branden zal gaan kosten is niet te overzien. Arends: “Ik heb gehoord dat er zes of zeven olievelden in Koeweit in brand staan waarvan de druk vrij laag is. Die zijn sneller uitgebrand dan putten waarop een grote druk staat. Als het meezit ben je met een brand in een week klaar. Dan zijn de kosten een paar honderdduizend gulden. Maar doe je er vier tot vijf weken over, dan praat je al gauw over miljoenen guldens. Iemand als Red Adair vraagt om te beginnen al een miljoen dollar en dan geeft hij alleen nog maar adviezen.”

    • Gerda Telgenhof