Assad laat zich in Golfcrisis door berekening leiden; Syrie kan niet meer buiten Washington; 'Ik bid iedere dag voor Saddam Hussein'

DAMASCUS, 25 jan. - Drieenveertig prominente Syriers deden zondag het Midden-Oosten versteld staan door de publikatie van een open brief waarin werd aangedrongen op steun voor Saddam Hussein.

“Deze misdadige oorlog raakt niet alleen Irak maar de toekomst van alle Arabieren”, zo citeerde het persbureau Reuter uit het pamflet van de groep schrijvers, dichters, filmers en beeldende kunstenaars. “Daarom is iedere Arabier, waar hij zich ook bevindt en hoe beperkt zijn mogelijkheden ook zijn, verplicht om zich te verzetten tegen de Verenigde Staten”, zo lazen aanhangers van Saddam in het naburige Irak en Jordanie tot hun genoegen in de krant.

Het persbureau interpreteerde de brief als een signaal voor het opvlammen van een ongewoon publiek debat in Syrie, dat geldt als een van de strengste politiestaten in het Midden-Oosten en zich bij de Amerikanen heeft aangesloten door troepen naar Saoedi-Arabie te sturen. Die conclusie ging echter veel te ver. Een dag na openbaarmaking van het schrijven waren alle ondertekenaars gearresteerd, om pas na een fikse waarschuwing weer te worden vrijgelaten. In de morsige burelen van het Reuter-kantoor is men hun namen inmiddels compleet vergeten. Ook de tekst zelf is trouwens zoek. Hij moet in een la liggen. Achter slot. Maar de sleutel is verdwenen. De enige twee medewerkers van het bureau kunnen er helaas niets over vertellen. Beiden beweren dat hun collega het bericht geschreven heeft. Het is trouwens in Syrie zelf niet gepubliceerd, maar alleen via de telex in het buitenland verspreid. De schrik zit er kortom uitstekend in.

Maar al is het debat niet openbaar, de gevoelens zijn niet zo eenvoudig te onderdrukken. Dat is te merken in de oude wijken van Damascus, waar jonge mannen een blonde Westerling in het voorbijgaan fucking American toesissen. Het treedt aan de dag in omzichtig op gang komende gesprekken bij marktkramen en in koffiehuizen. En het is overduidelijk in deze woorden van een oude Palestijn, die in Nazareth is geboren maar al dertig jaar in Syrie woont: “Ik bid iedere dag voor Saddam Hussein. Het zou geweldig voor ons zijn als hij deze oorlog zou winnen. Maar als intellectueel heb ik grote bedenkingen bij wat hij heeft gedaan. Hij maakt immers geen schijn van kans.”

Officiele propaganda

De onwaarschijnlijkheid van een Iraakse overwinning is op dit moment ook het belangrijkste argument dat de officiele propaganda hanteert ter verdediging van de Syrische deelneming aan de internationale troepenmacht. President Hafez al-Assad, de man die Syrie al meer dan twintig jaar in naam van de socialistische Ba'ath-ideologie met eigen hand regeert, heeft vrij lang gewacht voor hij zijn bevolking uitlegde waarom hij in augustus troepen naar Saoedi-Arabie stuurde. Uiteindelijk zei hij dat de Arabische eenheid hem dat gebood. Hij beriep zich braaf op resoluties van de Arabische Liga en de Verenigde Naties, maar in de door de staat geleide media werd de misstap van Saddam Hussein in opvallend milde bewoordingen behandeld.

Pas de laatste twee weken is de toon scherp geworden, toen duidelijk werd dat de Iraakse leider van plan was uitvoering te geven aan zijn dreigement om de hele regio in brand te zetten en in een klap ook de Palestijnse kwestie tot ontploffing te brengen door een oorlog met Israel. Sindsdien krijgt ook de Jordaanse koning Hussein ervan langs omdat hij Saddam Hussein niet heeft afgehouden van zijn domme voornemens. En nu mag ook de Iraakse oppositie in ballingschap van zich doen spreken.

Dagelijks legt de Syrische overheid nu uit dat de Grote Oorlog tegen Israel inderdaad een zaak is van alle Arabieren, maar dat Saddam Hussein die zaak alleen maar schade doet. “Geen enkel Arabisch land heeft het recht alleen en zonder overleg actie te ondernemen in deze panarabische kwestie. En als Irak werkelijk een bijdrage had willen leveren aan de oplossing van het conflict tussen Arabie en Israel dan was het niet Koeweit binnengevallen, maar had het de Arabische eenheid bewaard”, zei deze week minister van informatie Mohammed Salman. “Saddam Hussein offert het volk en het leger van Irak op het altaar van zijn krankzinnigheid en arrogantie”, zo analyseerde gisteren het regeringsdagblad.

De argumentatie treft wel degelijk af en toe doel, ook zonder dat de instemming door de alom aanwezige geheime politie wordt afgedwongen. “Net als iedereen hier, heb ik zitten juichen bij het zien van de beelden van Iraakse raketten die neerkwamen op Tel Aviv”, zegt een jonge journalist. “Maar dat was een emotionele reactie. Ik ben bang dat de aanval Israel alleen maar voordeel oplevert. Onze minister van defensie heeft geschreven dat die aanval niet meer was dan een theatereffect. Dat toneelstukje heeft de Israeliers echter wel heuse Patriot-raketten opgeleverd die ze zelf tot nu toe niet konden betalen. Ze hebben onmiddellijk dertien miljard dollar extra steun van de Amerikanen gevraagd, en die zullen ze wel krijgen ook, want de hele wereld heeft nu medelijden met hen.”

Muisstil

Militaire versterking van Israel, laat staan de zoveelste militaire overwinning, lijkt op het eerste gezicht inderdaad het allerlaatste waar president Assad behoefte aan heeft. Daarom waarschuwt hij de bondgenoten voortdurend dat Israel een muisstille vennoot in de hele operatie moet blijven. En daarom zei minister van buitenlandse zaken Farouk al-Shara vlak voor het uitbreken van de vijandelijkheden tijdens een persconferentie met zijn Amerikaanse ambtgenoot James Baker luid en duidelijk dat Israel na een Iraakse aanval geen vergeldingsmaatregelen zou mogen treffen, als men tenminste prijs stelde op een blijvende Syrische aanwezigheid in het Westerse pact.

Waarnemers in en buiten Damascus zijn het er echter over eens dat Assad in stilte allang akkoord is gegaan met het leveren van verdedigingswapens aan Israel door de Amerikanen, en zelfs niet meer dan voor de vorm zou protesteren als Tel Aviv enig weerwerk zou bieden tegen de Iraakse Scuds. Zodra dit vermoeden echter wordt uitgesproken voelt Syrie zich verplicht om heftig te ontkennen. Zo nam het ministerie van buitenlandse zaken gisteren de moeite om op de voorpagina van verscheidene kranten officieel te protesteren tegen een artikel in het Franse dagblad Le Monde waarin was beweerd dat al-Shara Westerse ambassadeurs had verzekerd dat Syrie niet zou reageren bij een Israelische tegenaanval op Irak.

“De regering kan niet anders”, zegt een diplomaat uit een van de Westerse landen, die al geruime tijd in Damascus vertoeft. Uit zijn contacten met hoge ambtenaren en militairen heeft hij begrepen dat Saddam Hussein ook in die kringen veel populariteit geniet. Ook in hun ogen heet de enige echte vijand Israel, dat op nog geen vijftig kilometer afstand vanaf de bezette hoogvlakte van Golan sinds 1967 letterlijk en figuurlijk op Damascus kan neerkijken.

Berekening

Assad laat zich volgens deze waarnemer echter minder door emoties dan door berekening leiden. Zo weet hij dat hij bij het verwezenlijken van zijn binnen- en buitenlandse politiek niet meer buiten de Amerikanen kan. Jarenlang heeft Syrie zich economisch laten steunen en militair laten bevoorraden door de Sovjet-Unie. De economische steun is echter zo goed als beeindigd en de Russen hebben al jaren geleden duidelijk gemaakt dat ze niet meer geloven in het idee van strategische pariteit, waarbij Syrie op dezelfde moderne wapens kon rekenen als Israel geleverd kreeg uit de VS. Als Assad druk op Israel wil uitoefenen dan moet dat met de hulp van andere Arabische staten en via Washington. Syrie had de instemming van Washington (en van Israel) nodig voor de nog niet zo lang geleden voltooide pacificatie van Libanon en al voor de Golfcrisis zocht het door samenwerkingsakkoorden toenadering tot Egypte en Saoedi-Arabie. Zo bezien is de huidige alliantie dus niet zo vreemd en waarschijnlijk steviger dan menigeen denkt.

Dat wil niet zeggen dat Assad van de Golfcrisis niets begrepen heeft. Voorlopig rekent hij er op wel bij het winnende kamp te zullen horen maar niet te hoeven vechten. Zijn troepen mogen niet meedoen aan offensieve acties en uit de omstandigheid dat Syrie nauwelijks extra strijdkrachten heeft samengetrokken aan zijn eigen grens met Irak valt af te leiden dat het geen rekening houdt met een tegenaanval uit het oosten. In Damascus bestaat echter wel vrees voor onrust in Zuid-Libanon, waar Palestijnse steun voor Saddam Hussein wel eens tot een toeneming van de aanvalletjes op Israel zou kunnen leiden. Bij een Israelische tegenaanval zou Syrie in een conflict betrokken worden op een tijdstip en een manier die het niet zelf heeft uitgezocht. En dat is een gedachte die Assad in het geheel niet bevalt.

Een tweede zorg is en blijft de interne oppositie. De buitengewoon efficiente onderdrukking van anders-denkenden heeft het Syrische regime een stabiliteit verschaft die opmerkelijk is binnen de Arabische wereld, maar heeft tegelijkertijd een reservoir gekweekt van mensen en groepen die in de loop der jaren door ba'athisten zijn gekrenkt. In 1982 sloeg Assad een opstand van religieuze fundamentalisten neer in de noordelijke stad Hama. Daarbij vielen meer dan 20.000 doden. De oproep van Saddam Hussein om in een Heilige Oorlog op te trekken tegen de ongelovigen zal dus in ieder geval weerklank vinden bij degenen die Hama niet vergeten zijn.

Volgens een Westerse waarnemer valt een nieuwe opstand tegen president Assad, hoe kansloos die op dit moment ook moge zijn, nog steeds vooral te verwachten uit religieuze hoek. Andere welingelichte bronnen zeggen dat in de afgelopen week op verscheidene plaatsen in het land mensen zijn opgepakt die al te roekeloos hun afkeuring over het huidige regeringsbeleid hadden geuit. Dat zou vooral gebeurd zijn om een voorbeeld te stellen. “Het is niet overdreven om te zeggen dat in Syrie veel bijval voor Saddam Hussein voortkomt uit afkeer van Assad.”