Welvaart Peruaanse stad in 1500 v. Chr. kwam door katoenteelt

Opgravingen in El Paraiso, in Peru, werpen nieuw licht op de vroegste ontwikkelingen in deze oude cultuur.

El Paraiso is een voorbeeld van imposante architectuur die steunt op een betrekkelijk eenvoudige, zelfvoorzienende samenleving. De nederzeting ligt in een dal nabij de kust en omvat acht of negen stenen gebouwen, varierend van eenvoudige drie- tot vier kamerwoningen tot imposante constructies van wel 100 bij 300 meter.

Tot nog toe is men er altijd van uitgegaan, dat visvangst in de pre-keramische periode, van 1800 tot 1500 voor Christus, het voornaamste middel van bestaan moet zijn geweest. Uit recente opgravingen blijkt echter dat El Paraiso al vroeg een vooraanstaand centrum van katoenteelt was. Katoen werd ondermeer gebruikt voor visnetten en om er kleren van te maken.

Dit gegeven is interessant in het licht van de voortdurende discussie binnen de antropologische archaeologie over de relatie tussen voedselvoorziening en ontwikkeling van oude culturen.

Alle primitieve beschavingen waren afhankelijk van voedseloverschotten, doorgaans in de vorm van graanvoorraden. Bij El Paraiso echter waren daar nooit sporen van gevonden.

In de pre-keramische en vroeg-keramische periode zijn langs de gehele Noordperuaanse kust uitgestrekte complexen verrezen van steenklei en adobe, een in de zon gedroogde baksteen. Vaak waren het imposante bouwwerken, die zich over vele hectaren uitstrekten, met afgeplatte piramiden, grote ondergrondse zalen en tal van vertrekken. De vraag waarvan deze mensen leefden heeft archaeologen, die hier in deze overdaad aan ruines veel, maar vaak haastig en slordig gegraven hebben, voortdurend achtervolgd.

In het verleden hebben archaeologen gesuggereerd dat zo'n nederzetting dun bevolkt moet zijn geweest omdat er zo weinig sporen van afval zijn gevonden. In het jongste nummer van Science bericht een groepje Amerikaanse archaeologen over hun ontdekking van een uitgebreid systeem voor afvalinzameling bij El Paraiso. Organisch afval werd verbrand en vervolgens in een zestal putten van zo'n een bij twee meter begraven of als bouwmaterialen gebruikt. Door de as uit de afvalputten voorzichtig te zeven is veel bekend geworden over de leefwijze van deze oorspronkelijke bewoners. Zij leefden vooral van zeebanket, zoals ansjovis, mosselen, oesters en andere schelpdieren, en van ander verzameld voedsel, waaronder wilde groenten en vruchten. Er werden maar weinig voedselgewassen verbouwd. Toch bezat men blijkbaar een behoorlijke kennis van landbouwtechnieken. Die werd vooral benut voor de teelt van katoen en kalebassen.

De ligging van het dorp, in het beschutte dal aan de rivier, was waarschijnlijk ideaal voor de katoenteelt. Waarschijnlijk heeft El Paraiso zich al vroeg tot regionaal handelscentrum ontwikkeld. Katoenen kleding gold in het oude Peru als belangrijk statussymbool. Ook met de bevolking van de hooglanden werd waarschijnlijk een bloeiende handel gedreven. De sporen daarvan, in de vorm van monumentale ruines, zijn tot de dag van vandaag in het landschap te vinden. (Science, 18 januari)