Vermeiren verheft de sokkels tot kunstwerken

Tentoonstelling: Didier Vermeiren. T-m 10-2 in Bonnefantenmuseum, Dominikanerplein 5, Maastricht. Geopend: di. t-m vr. 10-17 uur, za. en zo. 11-17 uur. Catalogus: fl. 79, -

Variante de la tristesse uit 1955 van Rene Magritte is een klein schilderij waarop een kip kijkt naar een gekookt ei op een eierdop. Achter haar ligt een ei op de grond. Van een heel andere maar vergelijkbare droevigheid zijn de beelden van Didier Vermeiren (1951). De sokkels van deze Belgische beeldhouwer dragen geen beelden. Ze zijn leeg.

Het gaat goed met de kunst in Belgie. Hoewel er tot voor kort niet eens een museum voor moderne kunst bestond, vallen Vlaamse en Waalse kunstenaars de laatste jaren in de internationale kunstwereld beter in de smaak dan hun Nederlandse collega's. De opkomst van de nieuwe Belgische kunst, die overigens de traditie van een surrealisme vol romantische verlangens voortzet, valt samen met de intrede van het postmodernisme. Het verleden blijkt een onuitputtelijke inspiratiebron. Vooral schrijvers en kunstenaars die aan de wieg stonden van de moderne kunst zijn erg in trek. Rainer Maria Rilke is de afgelopen tijd in catalogi misschien wel de meest geciteerde schrijver geweest. Ook Baudelaire doet het goed. De beeldhouwer Auguste Rodin staat weer volop in de belangstelling en ook de vergeten Zwitserse impressionist Arnold Bocklin, die van invloed was op de surrealisten, is nu weer favoriet.

Jan Hoet, de Gentse tentoonstellingsmaker die veel voor de verbetering van het kunstklimaat in Belgie heeft gedaan, zei eens in een interview: “Men kan Belgie vergelijken met Litouwen, met landen die zichzelf hebben weggecijferd op alle vlakken, en alleen maar leven van de nostalgie en de vlucht uit de werkelijkheid.” Hoet zei dit in 1984. Misschien verklaart dit enigszins waarom de sokkels van Vermeiren leeg zijn. In hetzelfde interview zei Hoet dat Belgische kunstenaars graag een genie willen zijn.

Didier Vermeiren lijkt hierop geen uitzondering te maken. Met zijn lege sokkels drukt hij een gevoel van onmacht en nostalgisch verlangen uit. Hij is zich maar al te zeer bewust van het onvermogen beeldhouwers als Rodin, alleen al wat hun technische vaardigheden betreft, naar de kroon te steken. In een van zijn titels verwijst Vermeiren ook naar Rodin, die ironisch genoeg zelf een van de eerste beeldhouwers was die zijn beelden sokkelloos presenteerde en sokkel en beeld in elkaar deed overgaan. Zo is de titel van een van zijn werken Platre 1990, socle du musee Rodin, Meudon, supportant le monument a Balzac, platre 1983. Vermeiren laat hiermee zien dat een beeld niet per se aanwezig hoeft te zijn. Het beeld dat je er in je fantasie bij denkt is misschien wel mooier en indrukwekkender dan het origineel. Vermeiren zorgt er in ieder geval voor dat je niet teleurgesteld naar huis gaat, zoals weleens het geval is wanneer je een meesterwerk, bekend van reprodukties, voor het eerst in het echt ziet.

Bij het zien van Vermeirens werk valt ook op dat een sokkel zonder beeld minstens evenveel zeggingskracht kan hebben als eentje met. Zoals een leeg voetstuk op een plein in Boedapest veelbetekenend kan zijn.

Vermeiren speelt een complex ironisch spel met de beeldhouwkunst. Zo plaatst hij bovenop een zuil een identieke zuil op z'n kop. Daarmee doet hij het tegenovergestelde als de Italiaanse kunstenaar Piero Manzoni in 1963. Die zette een sokkel, waarin de titel Socle du monde was gebeiteld, ondersteboven op de grond en verhief zo de aarde tot kunst.

Vermeiren maakt de sokkel, die lange tijd evenals de schilderijenlijst was weggedrukt uit de moderne kunst, tot kunstwerk en laat hem als het ware de beeldhouwkunst en het exposeren daarvan becommentarieren. Op talrijke manieren belicht hij de relatie tussen vorm, gewicht en materiaal. Door zijn meestal van gips gemaakte voetstukken aan de oppervlakte te voorzien van een andersoortig materiaal, laat hij ze lijken op zware piedestals. Ook reduceert hij sokkels tot geometrische basisvormen, waarvan alleen de ribben zijn overgebleven. Die heeft hij geplaatst op wieltjes, waardoor ze het tegenovergestelde uitdrukken van monumentaliteit.

Het zijn de kijkers en de context waarin de kunst geplaatst is die er aan betekenis geven, zei Marcel Duchamp meer dan eens. Het aardige van de tentoonstelling in Maastricht is dat het Bonnefantenmuseum ooit eens gebouwd is als warenhuis. Het is een van de weinige musea met roltrappen. Als voetstukken zonder figuren, op die enkele museumbezoeker na, draaien de traptredes de hele dag rond.

    • Mark Peeters