'Toen ik in de achtste klas zat, moest ik naar Den Haag, want de bovenbouw zat niet in Leiden, maar in Den Haag.'

Alexandra Witte (bijna 18, 12e klas Vrije School) reist zich al vanaf haar tiende jaar suf, want haar school verhuist steeds.

'Eerst ging ik op een gewone school, maar het ging niet zo onwijs goed. Mijn ouders vroegen of ik naar de Vrije School wilde. Ik was nog heel jong dus ik kon niet goed beslissen, maar mijn ouders waren op een open dag geweest. De Vrije School was in Leiden, wij woonden in Aarlanderveen. 's Ochtends kon ik met een meisje en haar vader meerijden tot Leiden en dan moesten we nog een stukje met de bus en terug gingen we met de bus en de trein. Zij was twee jaar ouder dan ik dus dat ging heel goed. Maar toen gingen zij verhuizen en moest ik voortaan alleen reizen. Toen ik in de achtste klas zat, moest ik naar Den Haag, want de bovenbouw zat niet in Leiden, maar in Den Haag. Mijn vader bracht me naar Alphen en dan ging ik met de trein naar Leiden en daar stapte ik over op de trein naar Den Haag. Toen ik in de negende zat, zijn mijn ouders naar Hellevoetsluis verhuisd en moest ik ineens heel vroeg opstaan.'

Waarom ben je toen niet naar een gewone school gegaan?

'Ik vond de Vrije School heel erg leuk, ik had geen zin om naar een andere school te gaan. Er is wel een Vrije School in Rotterdam, maar daar wilde ik niet naar toe. De Rotterdamse Vrije School is veel groter dan die waar ik nu op zit, ik hou niet van een grote school. Onze school is klein, dus je kent iedereen en er zijn ook niet veel leraren. Het zijn er maar weinig en ze lijken meer op vrienden en vriendinnen dan op leraren. Ze doen helemaal niet als een leraar, ze gaan gewoon koffiedrinken met de leerlingen. Daarom ben ik in Den Haag gebleven. Maar toen ging de school naar Leiden verhuizen.'

Was je maar in Aarlanderveen blijven wonen.

'Dat kon niet want de zaak van mijn vader was in Hellevoetsluis. Ik heb wel eens gedacht: zal ik toch maar naar een andere school gaan, want in de negende kregen we ook nog drie dagen in de week tot half vijf les en dan was ik pas om half zeven thuis. En het werd nog erger, want toen ging de school weer verhuizen en kwam nog verder weg in Leiden te staan. Toch ben ik gebleven, omdat het zo'n gezellige school is. Dit is het laatste jaar en dat wil ik hier afmaken, want we hebben dit jaar het eindtoneelstuk en de eindreis . Die wil ik niet missen. Het gaat ook wel met het reizen, onderweg kom je mensen tegen.'

Wie?

'Michel, die woont achter ons huis, die gaat tot Spijkenisse en vandaar naar Brielle. En nog een jongen uit Heenvliet, die reist tot Rotterdam. Hij is schilder. Soms moet hij naar het Zuidplein en soms tot de Rijnhaven. En dan zijn er nog een paar meisjes, die ik alleen van gezicht ken, die zeg ik ook gedag en in de trein is nog een man, die musicus is. Die moet elke dag naar Amsterdam. Ik ken hem van het station in Rotterdam, hij kwam een keer een praatje maken, toen hij zag dat ik zat te leren. Er zit nog een man in de trein, die in hetzelfde orkest speelt. Die speelt dwarsfluit. En er is een man die ik alleen van gezicht ken, die ook goeiemorgen zegt. Ik zit altijd op dezelfde plaats in de trein.'

Hoe kom je aan een vaste plaats?

'Het is geen vaste plaats, maar ik kies die coupe altijd als ik kan. Het is het voorste treinstel, eerst heb je een hele lange coupe en dan een korte. Daar zit ik, in Niet Roken. Soms is het heel erg druk, dan moet ik wachten tot Schiedam-Rotterdam West tot er plaats is.

Ik heb niet vaak tijd om te praten, meestal moet ik 's ochtends leren, want 's avonds kom ik er niet aan toe om goed te leren, dan doe ik vooral het schrijfwerk. Op de terugweg van school begin in de trein al aan mijn huiswerk, behalve als het echt niet gaat. Soms val ik in de metro al in slaap. In het begin was ik helemaal niet moe, toen ging het perfect, maar halverwege vorig jaar begon ik heel erg moe te worden. Ik was nooit ziek, maar toen kreeg ik zin om thuis te blijven.'

Ga je laat naar bed?

'Helemaal niet. Ik probeer er zo vroeg mogelijk in te liggen, maar als ik om half zeven thuis ben, moet ik eten en huiswerk maken en dan wordt het toch nog half tien. Soms kan ik helemaal niet naar huis. In april voeren we het eindtoneelstuk op, dus moeten we hard repeteren. Dat doen we op school en het duurt tot een uur of negen. Dan blijf ik bij mijn vriendin slapen.'

Wat ben je in het toneelstuk?

'Ik heb vier of vijf rollen, niet echt onwijs grote rollen. Ik ben boerin links, dan moet ik als eerste op. In de tweede scene ben ik tweede vrouw, in de derde scene ben ik de waard en wat was ik verder ook al weer? O ja, Ludovica, dat is een hoer. Er was nog een andere rol, maar die ben ik vergeten. We doen het stuk met de hele klas, het is een eindwerkstuk. Iedereen doet er aan mee, het betekent wel heel hard werken.'

Ga je nooit uit?

'Nee. In het weekend ben ik meestal thuis want dan wil ik vast vooruitwerken. Ik ga af en toe met mijn ouders mee naar familie.'

Ik heb zo'n medelijden met je.

'Het is echt een hele leuke school en ik heb het er graag voor over. Ik ben alleen zo moe. Ik was in het begin van het schooljaar al moe. Dat had ik vorig jaar niet. Toen was ik fit en had ik elke dag zin om naar school te gaan. Dit jaar was het vanaf de eerste dag al mis. Ik denk alleen maar aan slapen.'

Brieven met reacties en suggesties naar Yvonne Kroonenberg, NRC-Handelsblad, Paleisstraat 1, 1012 RB AMSTERDAM.