Spitsroeden lopen

De twee vriendinnen verschenen regelmatig in een cafe op het Leidseplein. Het liefst zaten ze aan een tafel bij het raam, waar de kastelein ze de beker met pokerstenen en twee glaasjes jonge jenever bracht.

Wijn drinken was in die na-oorlogse jaren nog niet in de mode. De vrouwen pokerden met aandacht maar zonder fanatisme en als er bekenden aanschoven, borgen ze de stenen op en namen ze deel aan de gesprekken. Niet zelden werden ze dan gaandeweg overspoeld door de oeverloze monologen van het aangewaaide manvolk.

Ze schenen het allemaal best te vinden, maar als er een al te ongenuanceerde mening ten beste werd gegeven, konden ze verrassend uit de hoek

en. Hun meningen hingen niet in de lucht, wat de vrouwen een zekere soevereiniteit verleende die het fatalisme, waarmee ze hun avonden aan de cafetafel uitzaten, nog raadselachtiger maakte.

Het was onbegrijpelijk dat de vrouwen geen andere verlangens schenen te koesteren dan een plek om te drinken en stemmen te horen. Schijnbaar gedachteloos hielden ze alleen het bemorste voetje van het jeneverglas draaiende waarmee ze reeksen van nauw aaneengesloten, natte kringen op de tafel maakten. Het langwerpige tafelblad kon dan ineens op een hermetisch gesloten treinwagon met altijd voortjagende wielen gaan lijken.

De vriendinnen zorgden er meestal voor dat ze voor sluitingstijd het veld hadden geruimd om niet tegelijk met de hele meute te hoeven vertrekken. Dan stapten ze, enigszins aangeschoten, op de fiets en reden ze ieder door de uitgestorven binnenstad op huis aan.

Een huis kon je het krot, waar een van de vrouwen naar toe reed om te overnachten, eigenlijk niet noemen. Er stond een bed, een kist en een met bakklei gevulde vuilnisbak. Daaruit kneedde ze steeds weer de uitgemergelde figuren die door haar hoofd spookten. De bezoeksters, die ze een enkele keer over de vloer had, zeiden tegen haar: “Bij jou thuis lijkt het wel of we nog in het kamp zitten.”

De vriendin van de beeldhouwster die huisvrouw was, bewoonde een opvallend groot huis. Het had ruimte geboden aan haar man en hun tien kinderen, van wie er nog een stel thuis woonden en ook nog eens aan tien joodse onderduikers, onder wie de broer van de beeldhouwster. Noch in het cafe, noch elders roerden de twee vrouwen ooit het recente verleden aan waardoor hun conversatie soms het karakter kreeg van spitsroeden lopen. De huisvrouw vermeed het liefst om over haar kinderen te praten in het bijzijn van haar vriendin. Ze kende de beeldhouwster nog uit de tijd dat deze zelf een man en drie kinderen had en van wie een zoon de oorlog overleefd had. De beeldhouwster vroeg op haar beurt nooit naar de man van de huisvrouw die in de onderduik een vrouw had ontmoet, bij wie hij nu woonde.

De vrouwen kenden elkaar sinds de jaren dertig uit het milieu van de raden-communisten en nadien uit het verzet. Het mijnenveld van hun herinneringen omzeilend, praatten ze het liefst over de nog veilige periode tussen het begin van de eerste wereldoorlog en het eind van de jaren twintig. Aan de cafetafel begonnen ze tegen bekenden dan ook wel eens ineens geamuseerd te vertellen over de op wonderolie lijkende smaak van de geheelonthouders-punch die ze toen dronken of over de eigenaardige muziek van de banjomandoline en over wandelingen op de hei met jongens en meisjes die zelfs bij het kamperen in dezelfde tent strikt kameraadschappelijke betrekkingen met elkaar onderhielden, alsof er geen erotiek bestond.

Als meisje had de beeldhouwster als arbeidster op een lijstenfabriek in Amsterdam gewerkt en een romantische verering voor het anarchisme van Bakoenin opgevat. Diens opvattingen had ze in haar vrije tijd op politieke vergaderingen en op straat uitgedragen. Ze droeg in die tijd een loden cape en ze liep met blote benen op sandalen.

De vriendin had in die tijd op een hoedenatelier in Rotterdam gewerkt en was verliefd geworden op Kleine Hollander, die een astrakan muts, een grote baard, een bontjas en laarzen droeg. Kleine Hollander, die na de Russische revolutie met een boot naar de Sovjet-Unie was gevaren, was bij terugkeer in eigen kringen als een held binnengehaald. Net achttien jaar oud was ze al in verwachting geweest van hun eerste kind. En omdat Kleine Hollander van mening was dat ze, evenals de bourgeoisie, recht hadden op een groot aantal kinderen, waren het er in de loop der jaren nogal veel geworden.

Haar solidariteit met Kleine Hollander was geinspireerd geweest op een Russisch boek, getiteld De Mankameraad, dat ze ademloos uitgelezen had. De beeldhouwster was als zestienjarige, na lezing van het boek De Vrouw Die De Moed Had, gaan samenwonen met een eveneens joodse, veel oudere gymnasiumleraar met wie ze ten slotte toch maar getrouwd was. De vrouwen, die beiden nogal klein van stuk en tenger waren, zagen er nog altijd goed uit. Ze waren ook nog maar begin veertig. De beeldhouwster had een mooi Slavisch gezicht met hoge jukbeenderen. De huisvrouw, die wijde gebloemde rokken droeg, was ontwapenend als ze lachte. De vreemdeling die op een avond aan hun cafetafel verzeild raakte, was dan ook niet meer bij de vrouwen weg te slaan. Het was de eerste man sinds lange tijd door wie ze zichtbaar geboeid raakten. Aan het eind van de avond liet de vreemdeling weten dat hij de vrouw die zo leuk lachte graag nog eens terug wilde zien. Ze stemde blozend toe. “Weet je dat ze tien kinderen heeft? ”, grapte de beeldhouwster. De vreemdeling verontschuldigde zich voor zijn vrijpostigheid, waarna hij schielijk afscheid nam. Nadien verschenen de vriendinnen niet meer in het cafe. Blijkbaar was er een begin gelegd voor de terugkeer naar het zogenaamde normale leven.

    • Betty van Garrel