Slapen in een koets

Over Julius Caesar schrijft Suetonius (75-150 AD) in zijn reeks caesarenbiografieen onder meer dat hij “ grote afstanden met een ongelofelijke snelheid aflegde, zo'n 100 millia per dag, in een huurrijtuig, met maar weinig bagage”.

De millia of mijl heette zo omdat ze 1000 (dubbele) schreden van 1, 48 meter lang was. Verder wordt nog vermeld dat dit hoge daggemiddelde Caesar in staat stelde de afstand van Rome naar de Rhone, ongeveer 1200 kilometer, binnen de acht dagen af te leggen; dat klopt precies.

Het kan bijna niet anders, of Caesar legde delen van het traject al slapende af in zijn huurrijtuig. Voor een Romein was dit niets bijzonders, want in Rome kende men enkele typen wagens waar men tijdens het rijden in kon slapen, bijvoorbeeld de raeda, en, zoals de naam zegt, de carruca dormitoria. Het is jammer dat we van deze rijtuigen weinig meer kennen dan de naam; we weten zelfs niet of ze een opgehangen wagenbak bezaten, zoals de wagens uit Pannonie en Thracie van enkele eeuwen later.

Ook in later tijden was het slaaprijtuig bekend, meestal onder de Franse naam 'dormeuse' zoals de rijtuigen waar generaals, zoals Napoleon, in reden en sliepen. Bij de dormeuses van de achttiende en negentiende eeuw was de wagenbak bijna altijd opgehangen in riemen, maar waarschijnlijk was dit niet het geval voor het rijtuig waar de Hongaarse koning Matthias Corvinus (1443-1490) gebruik van maakte, en waar hij vermoedelijk ook in sliep tijdens de reis.

Koning Matthias had in 1485 Wenen veroverd, en hij reisde sindsdien veel heen en weer tussen de twee hoofdsteden Buda en Wenen. Zijn jongere tijdgenoot Bonfini, die een boek schreef over het Hongaarse koninkrijk, zegt daarin dat Matthias “ met een ongelofelijke snelheid, tot 100.000 schreden per dag”, deze afstand pleegde af te leggen. Als Bonfini, zoals Suetonius met 'passus' een dubbelschrede van ongeveer anderhalve meter bedoelde, komt deze snelheid op dezelfde waarde uit als die door Caesar behaald. Ook Matthias moet in zijn wagen hebben geslapen tijdens de reis.

Laszlo Tarr, aan wiens boek over de geschiedenis van rijtuigen deze bijzonderheden zijn ontleend, citeert daarbij ook nog een commentaar van de Hongaarse bisschop Johannes Listius, die opmerkte dat Matthias in een licht en snel rijtuig, dat 'kochy' werd genoemd, moet hebben gereisd, en dat de koning bekend was als 'eerste uitvinder', primus inventor, van dit rijtuigtype.

We vinden later vermeld dat keizer Karel V, twee generaties later, in een 'coche' of 'gutschiwagen' sliep tijdens zijn oorlogscampagne in Duitsland in 1546-7, omdat hij last had van jicht; het was dus inderdaad een dormeuse.

De naam van het rijtuig kent allerlei spellingsvarianten, maar de Oostenrijkse diplomaat Siegmund von Herberstein vertelt in zijn memoires dat hij op een reis in 1518 halt hield in het dorpje Kocs (spreek uit koetsj), aan de hoofdweg tussen Buda en 'Jaurinium' (Gyor of Raab), en dat dit plaatsje zijn naam aan het bekende rijtuig had gegeven. Deze hoofdweg loopt overigens tegenwoordig anders, en Kocs ligt er nu niet meer aan.

RIEMEN OF VEREN

Het Hongaarse 'kocsi szeker', wagen van Kocs, is in allerlei talen overgenomen, zij het licht verbasterd, zoals in het Nederlandse 'koets', het Duitse 'kutsche', het Engelse 'coach' en het Franse 'coche'. Het moderne begrip dat door deze namen wordt gedekt, wordt volgens Van Dale omschreven als: “ een vierwielig, geheel gesloten, door een of meer paarden getrokken rijtuig voor een klein aantal personen, welks kast op riemen of veren hangt”. Ook in het Frans, Duits en Engels wordt het begrip koets op deze wijze gedefinieerd.

Het is merkwaardig dat de oudste afbeelding van een koets niet aan deze definitie voldoet. De tekening werd door de Augsburger schilder Jeremias Schemel in 1568 in zijn manuscript 'Chunteruett Buoch' als volgt ingeleid: “ Weiter volgt hernach ein ungarische Gutsche, wie si soll geordnet mit aller zugehor gerist Werdenn”.

We zien een open wagen, met een kast van vlechtwerk, gevuld met grote kussens, die direct op de assen rust. De vernieuwing heeft vermoedelijk bestaan uit het gebruik van kussens, die een lokaal wagentype geschikt maakte voor personenvervoer. Het kan heel goed waar zijn dat Matthias Corvinus dit bedacht heeft: hij was een veelzijdig man, wiens naam nu in hoofdzaak nog voortleeft in de over Europa verspreide fragmenten van door hem verzamelde 'Bibliotheca Corvina'.

Wat betreft de koets: als Schemel gelijk had - en dat is wel zeer waarschijnlijk - moet het begrip in de laatste vijfhonderd jaar nogal zijn veranderd. Omdat het oorspronkelijk blijkbaar een slaaprijtuig was, ligt het voor de hand te denken dat het iets te maken heeft met het ouderwetse Nederlandse en ook Duitse woord 'slaapkoets' of 'kutsche' voor een bed of een sofa. Johann Beckmann heeft dit voor het eerst in 1787 opgeworpen in zijn 'Beitrage zur Geschichte der Erfindungen'. Men kan zich afvragen of de oorspronkelijke koets soms een ouderwets bed op wielen was.

OMSTREDEN ONDERWERP

Nu is de geschiedenis van het bed een enigszins omstreden onderwerp. Uit 16de eeuwse boedelbeschrijvingen weten we in elk geval dat men behalve de altijd in het huis ingebouwde vaste bedstede, die het meest werd gebruikt, ook het ledikant en de koets kende. Wat precies de drie van elkaar onderscheidde is niet met zekerheid bekend, maar de etymologie van ledikant uit lit de camp, veldbed, laat vermoeden dat het om een bed ging dat - als het niet opvouwbaar was - tenminste gemakkelijk uit elkaar genomen kon worden, terwijl die van koets uit 'coucher', liggen, kan betekenen dat men er languit in kon liggen slapen. In de bedstede sliep men half-zittend, zoals tot in deze eeuw gebruikelijk, vooral op het platteland.

Als dit nu zo is, en als het koetsbed en het oorspronkelijke koetsrijtuig iets met elkaar te maken zouden hebben, moeten we verwachten dat in een koetsrijtuig liggend werd geslapen. De wagen in de tekening van Schemel, met zijn hoog oplopende achterkant duidt er niet op. Tarr geeft een reproduktie van een houtsnede van Guldenmund (c. 1490-1560), voorstellend een kleine koets, waar hoogstwaarschijnlijk alleen maar half-zittend in kon worden geslapen, zoals in een bedstede. Ook het feit dat in Frankrijk voor de herkomst van de 'coche' naar Hongarije wordt verwezen, en dat het niet in verband wordt gebracht met het woord 'coucher', duidt er op dat het rijtuig en het bed in het Nederlands alleen maar bij toeval een gelijke benaming bezitten.

Ook in het Engels is dit niet zo; het onderscheid tussen 'coach' (koets) en 'couch' (sofa) is zo groot dat men in die taal niet gauw naar een eventueel onderling verband zou zoeken, vooral ook omdat een dergelijke klankverschuiving niet een algemeen optredend fenomeen is.

Dan blijft de vraag nog open wanneer het woord 'koets' van betekenis veranderde, dat wil zeggen een gesloten geveerd rijtuig aanduidde in plaats van een ongeveerde open wagen. Het is mogelijk dat de verandering in betekenis in Engeland plaatshad.

De benaming koets, 'coach' werd daar pas in 1556 voor het eerst gebruikt voor een rijtuig dat door de wagenmaker Walter Rippon in dat jaar voor koningin Mary was gebouwd. Haar opvolgster en halfzuster koningin Elisabeth hield meer van paardrijden, maar in 1570 reed zij naar de opening van het parlement in een staatsiekoets die door Rippon in 1564 voor haar was gebouwd.

Dit beviel haar slecht: zij klaagde over “ coaching pains by being knocked about”. Zij gebruikte daarna een 'coach' van een ander type, met een in riemen hangende wagenbak, die door de Nederlander Willem Boonen uit zijn land was meegebracht. Nederland had een goede naam op dit gebied: volgens de overlevering kwam ook de eerste Engelse vierwielige 'farm wagon' daar vandaan.

In elk geval lijkt het erop dat de betekenisverschuiving van het woord 'coach' teruggaat op de slechte ervaring van koningin Elisabeth met een type rijtuig zoals de oorspronkelijke ongeveerde wagen van Kocs en de overdracht van de naam op het vervangende rijtuig. Omdat Engeland later, vooral in de 18de eeuw, een toonaangevend land werd op het gebied van de rijtuigbouw, is het te begrijpen dat de betekenisverschuiving zich ook naar andere landen en taalgebieden verspreidde.

    • A. Wegener Sleeswyk