Sir Nicholas: Britten zijn gewoon strijdlustig van aard

LONDEN, 24 jan. - “Weet u nog hoe mevrouw Thatcher na het tot zinken brengen van de Belgrano in de Falklandsoorlog tegen de Britten zei: 'Rejoice! Rejoice!'? Ik denk niet dat de Britse bevolking dat soort taal nu zou willen horen.

De mensen hier lijken zich goed te kunnen vinden in de terughoudende toon en de woordkeus van premier John Major.''

Sir Nicholas Henderson (71) was de Britse ambassadeur in Washington ten tijde van de Falklandoorlog. Voor zijn Amerikaanse periode (1979-1982) vertegenwoordigde hij Groot-Brittannie in Parijs. Hoewel hij inmiddels tot het corps der ex-diplomaten behoort, is zijn reputatie nog lang niet vergeten. Het was immers Henderson die in 1979 de vinger op de zere plek legde en openlijk schreef dat Groot-Brittannie weinig meer voorstelde en in Europa de boot had gemist. Hij vond het, schreef hij in zijn afscheidsboodschap uit Parijs, een beetje genant om een land te vertegenwoordigen dat de pretentie ophield een wereldmacht te zijn, terwijl het in werkelijkheid, naar economische verrichtingen gemeten, tot het tweede garnituur was afgezakt.

In de elf jaar die sindsdien zijn verstreken, heeft Margaret Thatcher de “speciale relatie” met Ronald Reagan gecultiveerd, vervolgens Sovjet-president Michail Gorbatsjov het hof gemaakt en er daarmee voor gezorgd dat Groot-Brittannie althans diplomatiek weer op de voorste rij kwam te staan. Haar weerspannigheid om de toekomst van Groot-Brittannie binnen Europa afdoende te verankeren, moet Henderson - gezien zijn eerdere kritiek over de “gemiste kans” binnen Europa - wel een doorn in het oog zijn geweest. Maar de vervanging van Thatcher door Major betekent, zegt hij, een verandering van meer dan toon alleen. Het vertrek van Thatcher, gecombineerd met het Britse optreden in de Golf, lijken hem een gelegenheid te bieden waarbij Groot-Brittannie - en niet Duitsland - in de toekomst alsnog een leidende rol kan spelen in het vormen van een gemeenschappelijk Europa. “Dat zou dan na 1945 weer voor het eerst zijn.”

Net als in Washington heerst in Londen het gevoel dat de Europese partners - Nederland is op dit moment een gunstige uitzondering - geen ruggegraat hebben getoond toen het er op aankwam hun belangen te verdedigen tegen de terreur van Saddam Hussein. Duitsland had het binnenslands te druk met de eenwording en verschool zich achter zijn grondwet. Frankrijk zigzagde en dreef van alle Europese partners vooral de Britse regering tot razernij door op het laatste moment toch nog met een (mislukte) poging tot pacificatie met Irak te komen, waarover met geen van de partners overleg was gevoerd. De Spanjaarden en de Italianen treuzelden. De Belgen - toch de landslieden waarvoor Groot-Brittannie zich in 1914 in de Eerste Wereldoorlog begaf - weigerden zelfs extra munitie te leveren voor de Britse oorlogsinspanning in de Golf. Voor de Amerikanen is Groot-Brittannie bij nader inzien in Europa de enige bondgenoot gebleken op wie ze aankonden. Blijft de vraag over waarom van alle bondgenoten juist de Britten degenen waren die onmiddellijk bereid bleken 35.000 man naar de Golf te sturen en, tot nu toe, 1 miljard pond uit te geven om te helpen Koeweit te bevrijden?

In een artikel in The Spectator heeft Sir Nicholas Henderson vorige week drie mogelijke redenen opgevoerd: aangeboren stupiditeit van het soort mensen (zoals George Bernard Shaw heeft gesuggereerd), nostalgie naar de rol waarbij de Britten in de wereld de dienst uitmaakten en de omstandigheid dat zij in meer dan tweehonderd jaar geen oorlog van belang hebben verloren.

Op de vraag in welke reden hij zelf het meest gelooft, antwoordt hij: “In alle drie een beetje. Britten zijn gewoon strijdlustig van aard. Behalve dan in de jaren dertig, maar dat kwam omdat de Eerste Wereldoorlog toen nog zo nabij was. Ik persoonlijk twijfel er niet aan dat de leiders in dit land vanaf 2 augustus in hun achterhoofd bovendien de herinnering hebben gehad aan de appeasement-politiek die er toen werd gevoerd - en aan de desastreuze gevolgen ervan.”

Toen Saddam Hussein verkoos Koeweit binnen te vallen, was de toenmalige Britse premier Thatcher net bij president Bush op bezoek in Aspen. “Het zou me niet verbazen als zij degene is geweest die hem heeft aangespoord tot actie. In Washington zeggen velen dat zij hem ruggegraat heeft gegeven.” Dat Groot-Brittannie en de VS onmiddellijk beide de verdediging van Saoedi-Arabie ter hand namen, nog voordat de Verenigde Naties daarover een uitspraak hadden gedaan, had alles te maken met de Amerikaans-Britse militaire samenwerking die sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog is blijven bestaan.

“Die dingen tellen in tijden van crisis. Je bent 'prime partners'. En het lijkt banaal maar die Amerikanen vinden het toch prettig om dezelfde taal te spreken.”

Nog geen jaar geleden was het Duitsland, de economische en politieke voortrekker in een verenigd Europa, dat volgens president Bush als “de partner in leiderschap” moest worden beschouwd. Nu Duitsland niet thuis heeft gegeven in de coalitie tegen Saddam Hussein en Frankrijk zijn historische eigen weg gaat, heeft de regering-Bush zijn voorkeur weer verlegd naar Groot-Brittannie.

Over Frankrijk betoont Sir Nicholas zich overigens milder dan zijn vroegere politieke bazen dat vorige week nog deden. Frankrijk moet rekening houden met de grote binnenlandse moslimbevolking, het heeft altijd speciale banden gehad met Irak en het wil bovenal geen slippendrager van de Amerikanen zijn. Met het Franse initiatief-op-het-laatste-moment was dus “niets verkeerd”. Duitsland daarentegen heeft zich “bij het pacifistische af” opgesteld en voedt daarmee het vooroordeel dat “dit machtige Duitsland de blik naar het oosten wendt ten koste van het Westen”. “Dat zou een zekere schaduw over de toekomst kunnen werpen”, meent Sir Nicholas.

De veelbesproken gemeenschappelijke defensie- c.q. veiligheidspolitiek van de Europese partners is onder druk zwaar in zijn hemd komen te staan. Henderson zegt dat de Europese partners straks na afloop van de oorlog zo'n gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid ten aanzien van het Midden-Oosten zullen moeten definieren. “Vooral de Europeanen en niet de Amerikanen moeten daar een rol spelen. De Europeanen zijn degenen die historische banden met het Midden-Oosten hebben, ze zijn dichterbij dan de Amerikanen en ze zijn, veel meer dan de Amerikanen, van het Midden-Oosten afhankelijk. In hoeverre de onderlinge verschillen tussen de partners, die nu duidelijk zijn geworden, een dergelijk beleid zullen verhinderen, weet ik niet. Maar het Midden-Oosten zou ook als een aanjager van een gemeenschappelijk beleid kunnen werken. Vanuit het perspectief van Amerika zijn wij voortaan meer te vertrouwen dan de Duitsers. Het is hoe je je opstelt wanneer er gedonder in de glazen is. Dat geeft uiteindelijk de doorslag.”