Paul Schrader verfilmt beklemmende roman van Ian McEwan; Fatale spelletjes in de lagune

The Comfort of Strangers (Cortesie per gli ospiti). Regie: Paul Schrader. Met: Rupert Everett, Natasha Richardson, Christopher Walken, Helen Mirren. Amsterdam, Alfa 2; Den Haag, Metropole 3; Wageningen, Molenstraattheater.

De taak van een filmproducent is het bij elkaar brengen van talenten die niet alleen goed aansluiten, maar in het ideale geval ook elkaar versterken. De praktijk leert dat die nobele arbeid vaak doorkruist wordt door allerlei banale overwegingen van financiele en commerciele aard. Maar een enkele keer lukt het om een in alle opzichten voorbeeldige combinatie tot stand te brengen, die in het geval van de verfilming van Ian McEwans roman The Comfort of Strangers door de Italiaanse producent Angelo Rizzoli bovendien louter klinkende namen telt.

In oorspronkelijke recensies van de roman uit 1981 was McEwans proza al eens vergeleken met dat van Harold Pinter, de toneelauteur die zich steeds exclusiever wijdt aan het schrijven van filmscenario's. De meester van de zinloze, repetitieve conversaties tussen Engelsen die niet weten wie ze echt zijn was dus een voortreffelijke keuze voor dit verhaal over een paar dat op elkaar uitgekeken is en tijdens een vakantie onder invloed van de ontmoeting met een geheimzinnig ander paar merkwaardige ontdekkingen doet. De passies smeulen bij Pinter altijd diep onder het oppervlak en een uitbarsting is zeldzaam. Wie had Pinters scenario, dat in navolging van McEwan wel met een katharsis eindigt, dan ook beter kunnen verfilmen dan de Amerikaanse calvinist Paul Schrader, opgegroeid in een Hollands gereformeerd milieu in Michigan en de meester van de neurotische spanning tussen uiterlijke beheersing en innerlijke chaos?

Schrader schreef niet alleen gewelddadige scenario's als Taxi Driver en Raging Bull (waarin Robert DeNiro zich door seksuele onthouding tot barstens toe oppept voor een bokswedstrijd), maar ook een boek over de 'transcendentale' filmers Ozu, Bresson en Dreyer. Bovendien is hij een stilistisch begaafd regisseur van films als Mishima en American Gigolo. Vooral die laatste film heeft met The Comfort of Strangers te maken, en dan niet alleen vanwege de kostuums van Giorgio Armani.

In American Gigolo dwingt Richard Geres beroep hem tot het beheersen van zijn emoties en het sublimeren ervan in uiterlijke schoonheid, totdat hij een keer alle remmen los gooit met fatale consequenties. McEwans verhaal laat het wezenloze Engelse paar, dat maar geen beslissing kan nemen over scheiden of bij elkaar blijven, terugkeren naar de stad waar hun romance begon, een byzantijns labyrint van steegjes en pleinen, waarin Venetie te herkennen valt. Hun ontmoeting met een plaatselijke aristocraat en later met diens Canadese vrouw blijkt bij nader inzien niet toevallig te zijn, maar het resultaat van een zorgvuldig voorbereide valstrik. Onder invloed van de decadente, sadomasochistische gastheer en -vrouw, die een prooi zoeken voor hun fatale spelletjes, komen de slachtoffers, nog onwetend wat hen te wachten staat, nader tot elkaar en zichzelf. Ze worden meegesleept in een onomkeerbare spiraal van sensualiteit, zelfvernietiging en de geneugten van een stervende klasse met hun palazzo's, zijden pyjama's, charmante verleidingskunsten en aanbidding van traditionele waarden.

Omdat McEwan Venetie nooit noemde, overwoog Schrader de film op te nemen in een nog gevaarlijker, zoeter ruikende en meer orientaalse stad, zoals Kairo of Istanbul. Kon de toeristenfuik aan de Adriatische Zee, zo vaak misbruikt in films als pittoresk decor, nog wel dienst doen als lokatie voor een film die voor alles dubbelzinnig moest zijn? Cameraman Dante Spinotti en art director Gianni Quaranta meenden van wel en benadrukten de byzantijnse kant van de lagunestad in de vormgeving, gebruikmakend van een oranjegeel licht. Het resultaat is verbluffend: een palazzo wordt een serail, de stegen vormen een kasba en Venetie is sinds Don't Look Now nooit meer zo bedreigend en vreemd geweest als nu.

Ook de keuze van de acteurs voor de vier hoofdrollen getuigt van groot inzicht of minstens een bijzonder goed gesternte. Ze moesten charismatisch zijn, maar geen opzichtige filmsterren. Natasha Richardson en Rupert Everett als de slachtoffers en Christopher Walken en Helen Mirren als het voyeuristische paar beschikken naast een indrukwekkende filmografie ook over ruime toneelervaring. Hun meest in het oog springende eigenschappen werden door Schrader effectief onderdrukt: Everett is minder flagrant mooi dan gebruikelijk, Walken lukt het niet bij voorbaat op een sadist te lijken, Mirren onderdrukt haar sensualiteit en Richardson voegt aan haar naiviteit en beinvloedbaarheid meer raffinement toe dan in Schraders Patty Hearst.

Vooral lukt het alle vier om de dialogen van Pinter met precies de vereiste suggestieve onverschilligheid uit te spreken. Het geheim van Pinters woordkunst is misschien wel dat je er altijd meer achter zoekt dan de feitelijke betekenis, formules die de zinloosheid vergeefs trachten te bezweren. The Comfort of Strangers is kortom een zo perfecte en perfectionistische produktie dat daarin tegelijkertijd de enige zwakte ligt. De understatements in de dialogen en het spel van de acteurs, de onderhuidse spanning in de regie, de warme weelde van licht, decors en rekwisieten, de verleidelijke muziek van David Lynch' huiscomponist Angelo Badalamenti, vormen bij elkaar zo'n krachtig mengsel dat het soms ondraaglijk wordt. Toen de film in Cannes als slotevenement vertoond werd, kon het publiek soms van de zenuwen zijn lacherigheid niet onderdrukken. The Comfort of Strangers overschrijdt een aantal grenzen, waar niemand zich meer gemakkelijk bij kan voelen: de absurditeit wordt te zwaar, de toon te klinisch, de beelden zijn te mooi. Maar de film sterft in schoonheid en volmaaktheid en laat een onuitwisbare indruk achter, als een boze droom die je je jaren later nog tot in de kleinste details herinnert.

    • Hans Beerekamp