Ontwikkelingshulp

In zijn column in NRC Handelsblad van 7 januari suggereert E. J. Bomhoff alleen ontwikkelingshulp te geven aan landen met een vrije pers en een meerpartijensysteem, in plaats van aan corrupte, Afrikaanse, landen.

Hoewel zijn aanbevelingen een grond van redelijkheid bezitten, is de werkelijkheid gecompliceerder. Afgezien van niet economische factoren als politiek strategische ligging en het ethische aspekt van mensenrechtenschendingen, zijn er eigenlijk maar twee criteria volgens welke ontwikkelingshulp gegeven wordt. Deze zijn: de mate van behoefte aan, en de mate van effektiviteit van de hulp. Het is duidelijk dat deze factoren in principe tegen elkaar inwerken. Immers, daar waar het economisch beleid goed is, is meestal de behoefte (lees armoede) minder groot, en vice versa. Bij een te rigide toepassing van beide criteria tegelijkertijd, wordt het moeilijk een goede bestemming voor ontwikkelingshulp te vinden: er zal dus ergens een middenweg moeten worden gevonden. Zo kunnen ook bij het beleid van de landen waaraan Bomhoff wel ontwikkelingshulp wil geven kanttekeningen worden geplaatst. Bijvoorbeeld, dat iedere gulden ontwikkelingshulp voor India en Pakistan (eide door staatscorruptie geteisterd) indirekt bijdraagt aan de ontwikkeling van hun kernwapens.

De relatie tussen politieke vrijheid en economische ontwikkeling is niet zo duidelijk als Bomhoff wil doen geloven, in ieder geval niet op korte termijn. Landen als Zuid-Korea, Indonesie en Chili, die de laatste jaren een gezond economisch beleid hebben gevoerd, konden dit eerder dankzij dan ondanks politieke repressie doen.