Ons verlangen naar een echte oorlog

Oorlog is van alle tijden, maar dat betekent niet dat wij begrijpen hoe wij er steeds weer in verzeild raken.

Dit geldt ook voor de Golfoorlog. Zoals Hofland al eerder in deze krant schreef kwam de afgelopen maanden een proces op gang waarbij oorlog vanzelfsprekend en onvermijdelijk werd. Alsof een machinerie in beweging was gezet die zich niet meer liet stoppen, waarbij het verstand op nul stond en alternatieven nauwelijks nog aan bod kwamen. De Tweede Kamer, inclusief de Partij van de Arbeid, stemde dan ook in overgrote meerderheid voor Nederlandse deelname aan de oorlog. Daarbij benadrukte bijna iedereen dat hij of zij vanzelfsprekend geen oorlog wilde. Ieder weldenkend mens vindt oorlog immers mensonwaardig, beschamend, een zinloze vernietiging van mensen en van onze wereld.

De vraag is echter of dit laatste vol te houden valt. Ik meen dat dat niet het geval is. Uit wat er gebeurt is maar een gevolgtrekking te maken: het is een illusie te menen dat wij alleen maar afschuw van oorlog hebben. We verlangen er ook naar. We verlangen naar oorlog en proberen ons dat verlangen niet bewust te worden door niet over de oorlog na te denken. De oorlog waarnaar verlangd wordt is niet de oorlog zoals deze feitelijk in de Golf wordt gevoerd, maar een persoonlijke, dat wil zeggen: mijn oorlog is een andere dan de uwe, ieder heeft zijn eigen oorlog waar hij naar verlangt. Dit verlangen naar een persoonlijke oorlog kan ons verhinderen de gruwelijke werkelijkheid van de Golfoorlog onder ogen te zien. Maar waarom zouden we naar een persoonlijke oorlog verlangen?

In onze maatschappij doen wij ons best de dood te verdoezelen. De aanwezigheid van de dood, van dat afzichtelijke sterven, is onverdraaglijk in een leven dat gelukkig hoort te zijn. Wij kunnen niet doodgaan, wij zijn immers goden en dus onsterfelijk; in het diepst van onze gedachten. Toch worden we door het verdoezelen van de dood niet gelukkiger. Freud gaf al aan waarom niet. Het leven wordt minder interessant als de hoogste inzet, het leven zelf, niet geriskeerd mag worden. We zoeken dan vervanging in de fictie, in de wereld van de televisie, de film, de literatuur. In die wereld is de dood voor onze ogen aanwezig. Mensen sterven en het is net of we er zelf bij zijn.

In werkelijkheid zijn we dat niet, maar moeten we genoegen nemen met de verbeelding. We blijven dan ook hunkeren naar het 'echte werk'. Een oorlog maakt onmiddellijk een eind aan onze pogingen de dood uit ons leven te weren of alleen in de verbeelding toe te laten. De dood is terug in volle glorie en het leven is weer interessant geworden. In haar boek over de Vietnamoorlog beschrijft Oriana Fallaci hoe zij in de Verenigde Staten wordt overvallen door een overweldigend verlangen naar Saigon terug te keren. “Misschien omdat in de nabijheid van de dood elk uur, elk voorwerp, elk sentiment waardevol wordt en het eten lekkerder is, vriendschap dieper, de vrolijkheid vrolijker.”

VERNIETIGING

De poging de dood uit ons leven te weren betalen wij dus met het minder boeiend worden van ons leven. Oorlog heft dit op, komt tegemoet aan onze behoefte aan afwisseling, aan contrast. In die zin lijkt oorlog op vakantie, op een feest.

Oorlog leidt altijd tot vernietiging. Of het nu mensen zijn, huizen, goederen of kunstvoorwerpen, vernietigd wordt er altijd en op steeds grotere schaal. In onze maatschappij rust buiten oorlogstijd op vernietigen een groot taboe. Destructieve verlangens mogen wij alleen bevredigen in afgeleide en minder vernietigende vorm, bij voorbeeld in sport en werk. Wij mogen onze concurrentie wel kapot concurreren, maar niet kapot maken. “Voetbal is oorlog”, zei Rinus Michels een paar jaar geleden, maar dat betekende niet dat voetballers elkaar echt dood trapten, hoewel het er soms dichtbij kwam.

Voor het grootste deel moeten wij onze destructieve verlangens bevredigen door middel van fantasieen. Deze fantasieen stammen oorspronkelijk uit onze kindertijd. Voor een klein kind is het normaal zichzelf als het centrum van de wereld te beleven en als vanzelfsprekend al zijn verlangens bevredigd te zien. Iedereen die dit vanzelfsprekende beleven verstoort en het kind als het ware dwingt zijn machteloosheid en hulpeloosheid onder ogen te zien, dient vernietigd te worden. Als het kind merkt dat dat niet lukt, troost het zich met nieuwe almachtsfantasieen, die meestal diep van binnen worden opgeborgen en op volwassen leeftijd moeilijk toegankelijk zijn, omdat we ons niet goed raad weten met het gewelddadige karakter ervan. Toch lopen we voor een deel nog steeds rond in die kinderwereld waarin we ons almachtig en onsterfelijk wanen, en waarin onmiddellijke vernietiging ten deel valt aan alles wat onze almachtsillusie verstoort, of het nu dingen of mensen zijn.

Juist het feit dat oorlog in toenemende mate de gedaante aanneemt van onze primitiefste destructieve fantasieen, maakt oorlog aan de ene kant zo aantrekkelijk, maar belemmert aan de andere kant de bewustwording van dit verlangen naar oorlog. Het lijkt of de gevoelens van angst, schaamte en schuld die door deze fantasieen worden opgeroepen, het ons moeilijker maken de werkelijkheid van de moderne oorlogsvoering onder ogen te zien.

PARTNERLIEFDE

Omgaan met andere mensen is nooit alleen bevredigend, maar roept ook altijd gevoelens van pijn, verdriet, teleurstelling en woede op. Tegen beter weten in proberen we met anderen, bij voorbeeld onze partner, toch een 'volmaakte' relatie te bereiken, waarin geen sprake is van vijandigheid en van rivaliteit, maar alleen van liefde. Om dit te bereiken moeten we ons van gevoelens van haat en destructieve woede ontdoen en deze onderbrengen bij degenen die daarvoor beschikbaar zijn. Tot voor kort waren dit bij voorbeeld de Russen, nu is het Saddam Hoessein. Deze haat en woede zijn nu niet langer die van ons, maar worden die van de ander. Op zich is dit allemaal nog niet zo erg, als we ons maar durven te realiseren hoe we daarmee de werkelijkheid vertekenen. Anders wordt de ander in onze beleving helemaal het monster, de satanische vijand die onze dierbaren, onze landgenoten kapot wil maken, terwijl wij toch onschuldige lammeren zijn. Om onze dierbaren te beschermen moeten wij ons in deze gedachtengang wel bewapenen en de vijand vernietigen. Vanuit deze opvatting voeren wij oorlog uit liefde en sterven wij om de geliefde in leven te houden. In een situatie als die van de Golfoorlog kan de redenering dan luiden: “Ik vecht voor Koningin en Vaderland, voor de Internationale Rechtorde, voor het leven van mijn geliefde. Ik verdedig haar leven tegen tegen het monster en hoef niet te voelen dat ik zelf degene ben die haat en wil doden. Ik voer geen oorlog omdat ik haat, maar omdat ik liefheb. Uit liefde bewapen ik mij, uit liefde vernietig ik Irak.”

Om een aantal redenen voelen wij dus niet uitsluitend een afkeer van oorlog, maar verlangen wij er ook naar. Dit verlangen betreft een persoonlijke oorlog en iedereen kan bij zichzelf nagaan hoe zijn of haar oorlog er uitziet. Gemeenschappelijk is steeds dat deze persoonlijke oorlog een poging vormt een innerlijk conflict op te lossen dat te maken heeft met onze onmacht. Anders gezegd: een toestand van vrede, van geen-oorlog, is psychologisch gezien belastend. Dit geldt des te sterker voor een toestand van vrede waarin ook geen uitzicht op een volgende oorlog zou bestaan.

Misschien onderkennen wij onvoldoende hoe groot de prestatie is die wij leveren door zo vredelievend met elkaar om te gaan als wij doen. Over het algemeen lukt het ons immers erg goed onze agressie te kanaliseren in niet al te destructieve primitieve destructieve verlangens. En dit terwijl het er niet makkelijker op wordt. De toename van technologische mogelijkheden maakt het beroep op ons vermogen om onmacht te verdragen groter. Deze onmacht geldt zowel onszelf als de ons omringende wereld. Terwijl wij steeds meer kunnen, moeten we tegelijkertijd de pijnlijke werkelijkheid onder ogen zien dadt de macht over ons eigen lichaam, over ons bestaan en de invloed die wij op het wereldgebeuren hebben toch maar uiterst gering zijn. De opkomst van kernwapens heeft bovendien niet alleen tot gevolg dat wij onze onsterfelijkheid moeilijker kunnen loochenen. Ook de troostende symbolische overleving in de gedaante van onze kinderen, onze geesteskinderen, alles wat wij geschapen hebben, lijkt niet meer mogelijk. Juist deze krenkingen roepen weer sterke agressieve verlangens op. Begrijpelijkerwijs is het taboe op het bevredigen van agressieve verlangens in onze maatschappij groter dan het bevredigen van seksuele. Zo kennen wij bij voorbeeld wel de maatschappelijk geaccepteerde seksuele bevrediging tegen betaling, maar niet de agressieve.

In een Amerikaanse film werd weliswaar een studio getoond waar je in het kader van een televisieshow een moord kon ensceneren op je partner, je baas, je ouders enz., maar het bleef een enscenering. In vredestijd blijft ons dus niets anders over dan minder destructieve uitwegen te zoeken en onze onmacht te verdragen. Maar er lijkt dan een troost: het uitzicht op een volgende oorlog. Oorlog is de enige situatie waarin de bevrediging van agressieve verlangens ons voluit is toegestaan. Ons individuele geweten lijkt daarbij op te gaan in een groepsgeweten, een oorlogsgeweten, dat het ons toestaat zonder schuldgevoelens dingen te doen die we in ons gewone bestaan niet zouden verdragen. Zo kunnen we zonder blikken of blozen zeggen dat de Iraakse agressie niet beloond mag worden en tegelijkertijd meer dan duizend bombardementen per dag uitvoeren. Zoals ik al aan gaf kunnen voor het eerst in de geschiedenis fantasieen over het vernietigen van de wereld ook werkelijkheid worden. Almacht is werkelijk mogelijk geworden, zij het alleen destructieve almacht. Wij beleven de grootmachten vaak als ouderfiguren, zoals bij voorbeeld blijkt uit ons spraakgebruik. In tegenstelling tot de ouders uit onze kindertijd zijn deze ouders in staat de gruwelijke fantasien uit de wereld van vernietigen en vernietigd worden ook werkelijk ten uitvoer te brengen.

Verhullend

Dit alles maakt het nog beangstigender om ons van deze fantasieen, en daarmee van ons verlangen naar oorlog, bewust te worden. Toch is dit nodig, want het verlangen naar oorlog - onze persoonlijke oorlog - verhult de werkelijkheid. Het verhult dat oorlog uit de tijd is, dat een oorlog geen overwinnaars zal kennen, dat wij onszelf en onze wereld vernietigen.

    • A. Ladan