Omroeprapport niet zonde van het geld

Vorige week besloot het NOS-bestuur tot een versterking van de televisieprogrammering en de daarvoor noodzakelijke reorganisatie van het bestel.

Dat gebeurde op basis van de conclusies en aanbevelingen van McKinsey. “Grappig genoeg waren deze conclusies ook te ontlenen aan het ongetwijfeld goedkopere rapport van de hoogleraren Arnbak, Dommering en Van Cuilenburg dat de regering midden oktober werd aangeboden”, schrijft Marc Chavannes in zijn Kroniek van 15 december 1990.

Zonde van het geld is de indruk die gewekt wordt. Ten onrechte want het bedoelde rapport ('Verbinding en Ontvlechting in de Communicatie') is onvergelijkbaar met het McKinsey-rapport. McKinsey rapporteerde in opdracht van het NOS-bestuur; de drie hoogleraren op verzoek van de Ministeriele commissie informatiebeleid met de minister-president als voorzitter.

McKinsey was ingehuurd om de publieke omroep te helpen de concurrentie van RTL-4 de baas te worden; het hooglerarenrapport bestrijkt echter een veel breder terrein, nl. dat van de openbare elektronische informatievoorziening. Op de eerste bladzijde werd uitdrukkelijk vermeld dat de auteurs geen opdracht hadden om concrete beleidsadviezen te formuleren als ook dat de studie een analytisch kader beoogt aan te geven dat de overheid kan aanwenden voor het beleid op de middellange termijn. In dat verband waren de beleidsscenario's die in deze studie staan, zijn bedoeld als illustraties van deze analytische kaders.

MODEL

Voordat die illustraties een eigen leven gaan leiden, wil ik graag wat afdingen op de waarde en de bruikbaarheid ervan in de praktijk. Voor het omroepbeleid worden drie verschillende beleidsscenario's ontworpen. Eigenlijk zijn het geen scenario's want enige handeling of tijdsdimensie ontbreekt. Het zijn eerder drie zeer ruw geschetste modellen voor de bespeling van de drie televisienetten met nog wat toebehoren.

Het model waaraan de auteurs de voorkeur geven ziet er als volgt uit:

- De NOS, waarvan alle bestuursleden worden benoemd door de Kroon, vult het eerste net met een programma dat beperkt blijft tot informatie, opiniering, kritiek en het bieden van een podium aan bevolkingsgroepen voor het uiten van hun politieke, culturele en sociale identiteit;

- het tweede tv-net wordt bespeeld door de huidige zendgemachtigden die dat wensen. Zij mogen een breder programma brengen waarin ook amusement voorkomt. Hun zendmachtiging moeten zij echter afstaan aan een overkoepelend orgaan, Nederland-Plus. Dat werkt met de NOS samen in een rechtspersoon a la de Ster voor de reclame-exploitatie, “hetgeen de coordinatie van de programmering voor de beide netten zal bevorderen” ;

- financiering geschiedt uit omroepbijdragen en reclame; inkomsten uit nevenactiviteiten worden in mindering gebracht op de toegekende budgetten;

- het Commissariaat voor de media ziet erop toe dat de zendgemachtigden die voor het tweede net tv-programma's aanleveren aan hun nutstaak blijven voldoen, d.w.z. niet teveel amusement brengen;

- cultuur en educatie worden toevertrouwd aan afzonderlijke onafhankelijke organisaties die door de overheid worden gefinancierd en die zendmachtigingen voor ether en kabel kunnen krijgen;

- Het derde net wordt in concessie ter beschikking gesteld aan commerciele exploitanten.

AANBOD-BELEID

De scenario's worden in het rapport uitdrukkelijk getoetst aan de eerder geformuleerde doelstelling van communicatievrijheid, waaronder ook de zorg van de overheid valt voor een behoorlijke verscheidenheid van programma-aanbieders en programmasoorten, en aan ijkpunten als doelmatigheid en continuiteit ten opzichte van het verleden. Hierbij staren de auteurs zich blind op de aanbodzijde en hebben zij volstrekt onvoldoende oog voor het kijkgedrag van het televisiepubliek. Dat zal zich massaal afwenden van de publieke zenders. Met name het eerste net zal in de voorgestelde opzet vrijwel geen publiek meer trekken.

Daarmee wordt de 'nutsfunctie' van de publieke omroep ( het voorzien in de essentiele informatiebehoeften van de Nederlandse samenleving) feitelijk niet meer vervuld. Wat helpt het immers dat er een prachtig aanbod van informatie, opiniering, kritiek en cultuur is wanneer er niemand kijkt?

Het derde net aan commerciele exploitanten geven is de weg van de minste weerstand kiezen. Het valt ook moeilijk in te zien hoe het afstoten van een net waarvoor tot nu toe een volledig programma-voorschrift geldt naar de commercie die overwegend amusement zal brengen een bijdrage levert aan de verscheidenheid van het programma-pakket. Maar bovendien kost dat de publieke omroep een evenredig deel van de reclame-inkomsten.

Gelet op de voorgestelde programmering hoeft voor de overblijvende twee netten niet op substantiele reclame-inkomsten te worden gerekend. En wat de doelmatigheid van de voorgestelde organisatie, de programma-coordinatie en het toezicht betreft, daarmee vergeleken is het huidige bestel een wonder van efficiency.

Op het tweede net, zoals Arnbak, Van Cuilenburg en Dommering zich dat voorstellen, zullen de huidige omroeporganisaties en andere zendgemachtigden elkaar verdringen, met uitzondering van de gelukkige die de concessie voor het commerciele derde net in de wacht heeft gesleept. Van verbetering van de coordinatie of van de efficiency zal geen sprake zijn. De omroeporganisaties willen allemaal tenminste een eigen avond. En die onafhankelijke zendgemachtigden voor cultuur en educatie willen ook wel eens in 'prime time' uitzenden.

De bureaucratie zal alleen maar toenemen, o.a. doordat je blijkbaar ook een toelating van het Commissariaat moet krijgen (en zien te behouden) als programma-aanbieder op het tweede net, waarvoor Nederland-Plus de zendmachtiging heeft. John de Mol en Jef Rademakers hebben die tot nu toe niet nodig.