Oermens

Met genoegen las ik uw interview met dr. W. Roebroeks (W en O 3-1-91). Diens niet in het artikel genoemde, in 1990 verschenen publicatie 'Oermensen in Nederland' is een schitterende synthetische studie, waarin gedetailleerd archeologisch onderzoek in Limburg door middel van bijdragen uit een reeks andere disciplines in een groot samenhangend kader wordt geplaatst.

In uw artikel komt naar voren, dat Homo sapiens-achtige vormen veel vroeger op het wereldtoneel verschenen dan de Neandertaler - weliswaar niet in Europa, maar wel wanneer je dichter naar het evolutiecentrum van de hominiden toegaat. Dit is een motief dat in de evolutie van de mens vaker blijkt op te treden: dat vormen die naar de recente mens tenderen, ouder zijn dan zogenaamd meer primitieve soorten.

Vastgeroeste denkgewoontes maken het moeilijk, dit gegeven naar waarde te schatten. Diepgeworteld is in onze cultuur de notie, dat 'primitief' in de tijd gezien voorafgaat aan 'hoger ontwikkeld', dat 'dierlijk' komt voor 'menselijk'. Desniettemin trad de graciele Australopithecus afarensis ruim een miljoen jaar eerder op dan de robuustere andere Australopithecinen, en is Homo habilis ouder dan Homo erectus met zijn wenkbrauwwallen, hoekig achterhoofd en brede schedeldak.

Het ziet ernaar uit, dat sapiens-kenmerken veel oorspronkelijker zijn dan lange tijd werd aangenomen. In het denken over de afstamming van de mens schuift onze soort van een afgeleid plekje aan het uiteinde van de stamboom naar een meer centrale plaats. Daar zit een verschuiving in visie op wat de mens is, aan vast, en op de verhouding van mens en dier.

    • Drs. W. Bos