Minister bepleit strengere aanpak filmsubsidiering

AMSTERDAM, 24 jan. - Overheidssubsidiering van Nederlandse films door het Productiefonds en het Fonds voor de Nederlandse Film (Filmfonds) zou selectiever moeten gebeuren. Daarvoor is een minder lankmoedige kwaliteitsbeoordeling noodzakelijk.

Dit stelt minister d'Ancona (WVC) in een brief over de gesubsidieerde filmproduktie aan de Raad voor de Kunst, die zij hierover om advies vraagt. De minister schrijft verder dat de twee fondsen mogelijk kunnen samensmelten en voorziet dat een op te richten filmstudio “onder een aanstekelijk, artistiek leiderschap” een stal kan vormen van talentvolle beginnende filmmakers.

In een voorlopige balans van het overheidsbeleid ten aanzien van de Nederlandse filmproduktie, constateert minister d'Ancona dat de publieke belangstelling voor films uit eigen land recent sterk is verminderd. Daardoor zijn particuliere financiers terughoudender geworden, terwijl de produktiekosten zijn gestegen. De meeste producenten steken alleen nog eigen geld in de ontwikkelingsfase van een project, dat wordt terugverdiend als de financiering is geregeld. Dit leidt tot een zekere dwang films in produktie te nemen, die (nog) niet rijp zijn voor de bioscoopmarkt, zo meent de minister.

Filmfonds en Productiefonds werken eerder projectgericht dan persoonsgericht. Daardoor is er een grote groep filmmakers die maar een enkel project heeft voltooid en ontbreekt het aan continuiteit. d'Ancona meent dat bij de huidige beoordeling van subsidieaanvragen eerdere prestaties onvoldoende worden verdisconteerd. Zij denkt aan het ontwikkelen van een systeem dat achteraf vaststelt of een debutant in aanleg over voldoende capaciteiten beschikt om in aanmerking te komen voor verdere steun. Een minder lankmoedige beoordeling, die meer garanties biedt voor continuiteit voor minder filmmakers en producenten, acht de minister denkbaar. Daarnaast moet het overheidsbeleid meer rekening houden met zowel de bereidheid van 'de markt' in produkties te participeren als met de artistieke en commerciele resultaten. Voor het laatste kan een automatische beloning worden uitgereikt aan de producent van een film die in de bioscopen of op internationale festivals succes heeft behaald.

Volgens de minister zou wellicht kunnen worden volstaan met een produktiefonds, dat selectiever steun verleent, prestaties automatisch beloont en particuliere financiers stimuleert tot participatie. Zij wil daartoe onderzoeken welke ervaringen in Frankrijk, Duitsland en Australie zijn opgedaan met het fiscaal aantrekkelijk maken van investeringen in filmproduktie.

Voor het stroomlijnen van de beide fondsen is het een voorwaarde dat elders ruimte wordt geschapen voor het voeren van “een eigenzinnig en avontuurlijk artistiek beleid”. Minister d'Ancona denkt aan het instellen van een werkplaats of studio, waar talentvolle filmmakers opgespoord en begeleid worden en waar onder artistiek leiderschap een 'stal' wordt gevormd. d'Ancona meent dat “een dergelijke producentachtige werkwijze” betere resultaten oplevert dan de huidige gang van zaken, waarbij het Filmfonds dit tot zijn taak rekent.

De minister meent overigens dat televisie en film een audiovisuele sector vormen, die meer zou kunnen profiteren van de mogelijkheden die Europese programma's en fondsen bieden. Zij vraagt zich af of de publieke omroepen zich in de toekomst niet meer op het programmeren en minder op het produceren moeten toeleggen.

Het Productiefonds voor Nederlandse films ondersteunt gemiddeld jaarlijks acht tot tien lange speelfilms en ontvangt daarvoor van de rijksoverheid zeven miljoen gulden. Andere inkomsten, uit terugbetaling van voorschotten aan commercieel succesvolle produkties, staan nu voornamelijk pro memorie op de begroting. Het Fonds voor de Nederlandse Film richt zich vooral op artistiek waardevolle speelfilms met een laag budget, korte films, documentaires, animatie en, sinds kort, jeugdfilms. Gemiddeld twintig films per jaar ontvangen een realiseringsbijdrage uit een budget, waar WVC ongeveer vijf miljoen gulden per jaar in steekt.

    • Hans Beerekamp