Kaabi is dichtgeplakt met modder en plastic

DIYARBAKIR, 24 jan. - De weg naar Kaabi stinkt. Vrachtwagens storten vuilnis uit de nabijgelegen stad Diyarbakir van de helling. Halverwege de weg en de oever van de Tigris blijft het liggen.

De Tigris, de machtige Tigris, een van de twee bronnen van vruchtbaarheid van Irak, is hier door de aanleg van enkele stuwdammen verder stroomopwaarts ineengeschrompeld tot een kabbelend stroompje.

Kaabi is een Koerdisch dorp in het zuidoosten van Turkije. Op een zonnige winterdag als vandaag speelt het leven zich buiten af. Onder een afdak wordt een kalf geslacht. Een groepje mannen staat erbij te kijken.

De straten zijn weer begaanbaar nu het een paar dagen niet heeft geregend. Langs de kant van de straat begint het koninkrijk van de modder. Van huis tot huis, van weg tot schuur. Het deert de honderden kinderen niet. Op hun blote voeten, op laarzen met grote gaten, of op lage schoentjes spelen ze de spelen van alle kinderen. Waar een vierkante meter hard is gebleven en een beetje vlak rollen ze hun knikkers naar een putje.

Een moeder met een kleintje op de heup is bang voor de oorlog, zegt ze. Vooral voor de kinderen: zij zijn de toekomst van Kaabi. Twee vrouwen bakken brood in een kleioven. Met hun blote handen kleven ze het deeg tegen de gloeiende ovenwand. Blaren krijgen ze daar niet van, ze zijn het gewend.

Een metalen deur sluit een binnenplaats af. De ramen van de woning zijn voorzien van stukken plastic. Kunstmestzakken en ander verpakkingsmateriaal beleven hier een tweede leven. De randen van het plastic zijn afgesmeerd met modder. Zo beschermt de bevolking van Kaabi zich tegen een gasaanval, met modder, het enige materiaal dat in overvloed voorhanden is. Of het helpen zal? Wie zal Kaabi missen?

Een man zegt niet bang te zijn voor oorlog. Waarom zou Irak Turkije aanvallen, vraagt hij. Toch zijn de vensters van zijn huis ook voorzien van plastic. “Voor de winter”, zegt hij. Een plechtig geklede man met een zwarte wollen jas over de schouders gedrapeerd gesticuleert heftig: “De oorlog moet nu ophouden. Of je nu het ene geloof hebt of het andere, we zijn toch allemaal mensen. Waarom zouden we elkaar doden?”

Middenin het dorp ligt een kleine kliniek. De verpleegster steekt in haar westerse kleren af tegen de meeste vrouwen die lange jurken en hoofddoeken dragen. Over voorzieningen in het geval van een aanval op Kaabi wil ze niets zeggen. Ze mag er niets over zeggen, zegt ze. Ze vertelt wat ze wel mag zeggen: de kliniek is vooral ingericht om verkoudheid, koorts en kleine verwondingen te behandelen. Wie iets ingewikkelds heeft, wordt doorgestuurd naar een ziekenhuis in de grote stad.

Kalkoenen springen opzij als er een tractor aan komt pruttelen. Op de motorkap ligt een kleed met kleurige, geometrische motieven. Beladen ezels en paard-en-wagens brengen minder schrik teweeg. Hier heeft het gemotoriseerde trekdier de strijd nog niet gewonnen.

Bij een theehuis zitten mannen te zitten, buiten, in de warme winterzon. Bang voor oorlog? In hun hart misschien, maar ze zullen het niet licht tegen een vreemde zeggen zoals hun vrouwen wel deden. Wat kunnen ze doen, behalve modder langs de vensters smeren? Kaabi heeft geen luchtalarm, geen gasdetectoren, geen gasmaskers. Als er vliegtuigen overkomen gaat iedereen naar buiten, zegt de vrouw bij de oven. En de kinderen, de toekomst van Kaabi, spelen verder in de modder.

    • Dick van Eijk