Het Jachtgezelschap van Bernhard ingetogen geensceneerd; De humor van de zinloosheid

Voorstelling: Het Jachtgezelschap van Thomas Bernhard door Toneelgroep Amsterdam. Regie, vertaling: Gerardjan Rijnders. Decor: Paul Gallis. Spelers: Joop Admiraal, Sigrid Koetse, Rik van Uffelen, Louise Vine e.a. Gezien: 23-1Schouburg, Amsterdam. Aldaar t-m 26-1. Daarna elders in het land t-m 8-3.

Het Jachtgezelschap (1974) van de twee jaar geleden overleden toneelschrijver Thomas Bernhard is net een muziekstuk: almaar herhaalde motieven bepalen het thema. In honderd varianten horen we steeds hetzelfde. Springlevend zijn we morsdood. Kijk maar naar de generaal, de aanvoerder van het jachtgezelschap. Hij heeft een stijf been en mist een arm en grauwe staar verblindt zijn blik. Hij ziet niet eens dat zijn geliefde bos ten gronde wordt gericht door schorskever. Zelfs voor bomen is leven sterven.

Net als in Tsjechovs De Kersentuin worden aan het slot van Bernhards stuk de bomen omgezaagd, maar er is een klein verschil. Tsjechov stuurt zijn personages het paradijs uit, Bernhard niet. Hij doet eerder het omgekeerde. Want de dood is ten minste nog een waarheid, leven is liegen. Kijk maar naar de generaalsvrouw. Niet alleen verzwijgt ze het fatale geknaag van de schorskever, voor het overige doet ze ook net alsof er nog iets te redderen valt. Hoe anders valt haar zinloze preoccupatie met de kachel te verklaren?''Helemaal bijvullen en over een kwartier afsluiten'', gebiedt ze de bediende onophoudelijk. Die tegelkachel, illusoir lichtpunt in de duisternis, is een boosaardig regievoorschrift. Knus brandend, staat zij een voorstelling lang Oostenrijk, Bernhards door hem zo gehate vaderland, te beschimpen.

Het Jachtgezelschap is een komedie, zij het een ongebruikelijke. De humor schuilt in Bernhards monomanie; deuren, waardoor zijn personages op ongelegen moment binnenvallen, heeft hij niet nodig. Hij versjouwt een vracht aan woorden, die zijn personages uitspreken zonder ze te horen. Zij verwoorden zinloosheid. Dat kenmerk van Bernhards werk bepaalt Gerardjan Rijnders' enscenering bij Toneelgroep Amsterdam. Rijnders heeft zich, in dienst van de tekst, terughoudend opgesteld, op het onzichtbare af - wat in dit geval nadrukkelijk een compliment is. Terecht, zo bewijst het resultaat, heeft hij zich vrijwel uitsluitend beperkt tot enkele uiterlijkheden, tot een enigszins bizar vormgegeven status quo.

De inbreng van de regisseur is de voorrang die hij verleent aan decorontwerper Paul Gallis. Deze ontwierp een van bedrijf tot bedrijf (het stuk telt er drie) varierend huis clos. Een gesloten lattenwand, met een enkel panoramisch raam met uitzicht op het bos, omsluit een geheel uit hertegeweien opgetrokken ameublement. Het korte tweede bedrijf is letterlijk een miniatuur van het eerste. De belichting is roze of groen.

De acteurs zijn hier vanzelfsprekend thuis. Ze zijn weggelopen uit Spitting Image, met voor de helft uit het lood getrokken gezichten, niet eens zo heel erg karikaturaal. Over tien, twintig of dertig jaar zien ze er waarschijnlijk echt zo uit. Hoewel, Sigrid Koetse als de generaalsvrouw heeft een hoge rug, die haar wel bespaard zal blijven, en Louise Vine, wier kapsel kurketrekkergewijs de lucht inwijst, lijkt blootgesteld aan een tornado.

Temidden van dit betrekkelijke vormgeweld weet Rijnders een subtiele toon van getiktheid te scheppen en te handhaven. Zo is er simultane beweging van bij elkaar horende personages en zo trilt het been van Sigrid Koetse iedere keer als zij de kaarten schudt voor een nieuw, zin- en vreugdeloos spelletje. Ook de bediende heeft zijn eigen kleine tic, een merkwaardig dribbelloopje. Maar eigenlijk mag alleen de kokkin (Jacques Wolters) zich onder haar vormeloze schort uitleven: ze stuitert als een bal op en af.

Rijnders heeft van Bernhards enigszins taaie litanie een ingetogen, bedaarde voorstelling gemaakt. Hij onthoudt zich van spektakel en zijn tekstregie is nauwgezet. Joop Admiraal als de generaal en Sigrid Koetse weten de monotonie dan ook relief te geven, meer dan Rik van Uffelen als de schrijver en het alter ego van Bernhard. Maar dat kan heel wel in overeenstemming zijn met de bedoeling. Niet rebellie, maar berusting bepaalt de toon. Of liever: gelatenheid, want dat is erger. Gelatenheid, ja, en dan de dood.

    • Pieter Kottman