Boeken over de 'world fairs' in New York en architect Wallace K. Harrison; Een tijdcapsule met balpen, pil en Polaroid

Remembering the Future, The Queens Museum, uitg. Rizzoli, imp. Nilsson en Lamm, fl.57, 50. Wallace K. Harrison, Architect, door Victoria Newhouse, uitg. Rizzoli, imp. Nilsson en Lamm, fl.74, 90.

Ruimtevaartuigen, een Futurama, onderzeese steden, een machine die dwars door het oerwoud raast en ieder uur een mijl snelweg produceert: al deze wonderen en nog veel meer waren er te vinden op de New York World's Fair van 1964-65. Toch heeft deze wereldtentoonstelling, ondanks de speciale culinaire attractie van Belgische wafels met slagroom en aardbeien, nooit de mythologische status van de vorige van 1939-'40 kunnen bereiken. Het Queens Museum, in de wijk van New York waar beide evenementen plaatsvonden, legt in het boek Remembering the Future uit hoe dat kwam.

Een boek als dit heeft bij voorbaat alles mee. Het verschijnsel van de wereldtentoonstelling spreekt al tot de verbeelding, de foto's zijn verrukkelijk en de grafische vormgevers kunnen zich erop uitleven. Maar de schrijvers van de diverse essays nemen geen genoegen met oppervlakkige nostalgie: ze willen vooral het verschil in tijdgeest en mentaliteit blootleggen tussen de twee Fairs die deze eeuw in Amerika zijn gehouden.

Op de wereldtentoonstelling van '39-'40 wierp de Tweede Wereldoorlog al zijn schaduw vooruit: het eerste seizoen was er geen Duits paviljoen, het tweede ontbraken ook de Sovjets. Toch overheerste het vertrouwen in de vooruitgang en de toekomst, zo treffend gesymboliseerd door de bol en de obelisk, de Trylon en Perisphere. In 1964 daarentegen bleek de Fair juist het einde van een tijdperk te markeren: de consumptieve en maatschappelijke zorgeloosheid waren voorbij.

Dat bleek al op de dag van de opening: driehonderd mensen werden gearresteerd die protesteerden tegen het feit dat er op een staf van tweehonderd, geen enkele gekleurde medewerker was. Bovendien speelde het hele evenement zich af tegen de achtergrond van de steeds controversieler Vietnam-oorlog.

Rondom een kunstwerk ontstond er in 1964 ook een rel die ons nu bekend voorkomt. Na veel gehannes waren onder anderen Roy Lichtenstein, Robert Rauschenberg en Andy Warhol gevraagd werk te maken voor Philip Johnsons paviljoen voor de staat New York. Maar al binnen een paar dagen liet de directie Warhols werk, portretten van Amerika's dertien meest gezochte misdadigers, overschilderen en vervolgens verwijderen. Over kunst gesproken: aan de hedendaagse Amerikaanse kunst werd pas een expositie gewijd toen Argentinie zich uit de tentoonstelling terugtrok en er dus plotseling een paviljoen over was.

Net als in '39 toverden de exposities de bezoekers gloedvolle beelden voor van alle zegeningen die de techniek nog in petto had. De 'Dish Maker' bij voorbeeld was een vroeg staaltje recycling: een gesloten systeem dat bekers en borden uit plastic vervaardigde en die na gebruik weer tot keutels vermaalde, grondstof voor de volgende maaltijd. In de paviljoen van chemie-gigant Dupont trad 'The Happy Plastics Family' op in een omgeving opgebouwd uit Tedlar, Delrin, Antron, Fabrilite, Dacron, Zytel, Mylar - en uiteraard Nylon. Als portret van de tijd voor toekomstige generaties werd een tijdcapsule in de grond gestopt, met daarin onder andere een balpen, en Polaroid-camera, credit cards, de pil en een bikini.

Invloedrijk

Misschien deed de tweede Fair een beetje belegen aan omdat het op hetzelfde terrein was, met dezelfde indeling en met veel van dezelfde architecten als die van een kwart eeuw her. Een van hen was Wallace K. Harrison (1895-1981), ontwerper van de Trylon en Perisphere. Die staan dan ook voorop de biografie die Victoria Newhouse heeft geschreven van deze invloedrijke architect die zich met gemak bewoog in kringen van geld en macht en een belangrijke stempel op New York heeft gedrukt.

Bepalend voor Harrisons carriere is geweest zijn vriendschap met de man die ook zijn beste opdrachtgever zou worden, Nelson Rockefeller. Dank zij hem werkte Harrison mee aan Rockefeller Center, de Wereldtentoonstelling van '39, de Verenigde Naties, het opera- en balletcomplex Lincoln Center en, nadat Rockefeller in 1958 gouverneur van de staat New York werd, aan een megalomaan regeringscentrum in de stad Albany.

Helaas is het boek van Newhouse meer een verslaglegging van alle perikelen rondom de bouw van al deze grootse projecten dan een profiel van Harrisons denk- en werkwijze. Toegegeven, een verhaal over de moeizame totstandkoming van de Verenigde Naties is niet compleet zonder de onmogelijke fratsen van design-teamlid Le Corbusier. En als het over Rockefeller Center gaat, moet natuurlijk de consternatie worden vermeld die uitbrak toen bleek dat de Mexicaanse communist Diego de Rivera een prominente plaats in zijn muurschildering had ingeruimd voor Lenin. Maar hoe ingewikkelder het bouwproces - het project in Albany duurde achttien jaar - hoe moeilijker het wordt voor de lezer om de persoon Harrison in het oog te houden.

Hij had ook geen uitgesproken eigen stijl, en zeker naar het einde van zin loopbaan verviel hij steeds meer, zoals Newhouse met tegenzin moet toegeven, tot een klakkeloze uitvoerder van andermans ideeen. Zijn persoonlijke tragedie was dat zijn vriend en maecenas Nelson Rockefeller hem uiteindelijk als een baksteen liet vallen. Toch stond Wallace Harrison aan de wieg van veel bouwwerken die mede het huidige New York hebben geschapen. Het blad Time kende hem in 1956 dezelfde status toe als Frank Lloyd Wright, Le Corbusier, Gropius en Mies van der Rohe. En in 1979, twee jaar voor zijn dood, organiseerde zijn jonge Nederlandse vakgenoot Rem Koolhaas in New York een retrospectief over de man die hij aanduidde als 'de Hamlet van Manhattan'.