Aardrijkskunde begint in de eigen straat

In 1900, veertig jaar na de invoering van het vak aardrijkskunde, schreef Ter Have in de handleiding bij zijn aardrijkskundeboek voor de lagere school: “ Men is het er tegenwoordig over eens, hoe men het aardrijkskundig onderwijs zal aanvangen.

Men beginne met de bespreking van het schoollokaal, van de omgeving der school, de gemeente en de omringende gemeenten''.

Ter Have sloot met zijn opvattingen aan bij het Duitse aardrijkskunde-onderwijs, dat in die tijd veel invloed kreeg in Nederland. Heimatkunde, in ons land heemkunde genoemd, ging uit van het idee dat kinderen door wandelingen en reisjes liefde voor de natuur, de eigen streek en het eigen volk ontwikkelen. Die betrokkenheid was, zo meende men, in gevaar gekomen door industrialisatie en trek naar de stad.

Heemkunde is twee keer uit het aardrijkskunde-onderwijs verdreven. Eerst doordat het nationaal-socialisme zich van de Heimatkunde meester maakte, en later door de democratiseringsgolf van de jaren zestig en zeventig. In de maatschappelijke tegenstellingen van toen was geen plaats voor de heem, “ waar angst en vreugd het kinderhart sneller doen kloppen, waar de teerste gevoelens worden doorleefd ('Didactisch kompas', 1958). Bovendien begonnen de mensen vaker te verhuizen en gingen ze steeds individueler leven, waardoor het gevoel van gebondenheid met de eigen streek verdween.

Maar heemkunde is weer helemaal terug. Omgevingsonderwijs, zoals het nu wordt genoemd, is volgens velen een goede manier om kinderen betrokkenheid bij te brengen bij een omgeving die zonder deze belangstelling maar al te vaak verloedert. Niet voor niets wordt in de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening de eerste verantwoordelijkheid voor 'de dagelijkse leefomgeving' bij de burgers zelf gelegd. In het advies over de kerndoelen voor de basisvorming neemt 'het eigen woongebied' een belangrijke plaats in. En uit onderzoek blijkt dat zo'n zeventig procent van de huidige aardrijkskundeleraren beschikt over zelfgemaakt materiaal: excursieroutes, veldwerk en lessenreeksen.

Gisteren promoveerde dr. L. J. A. E. Vankan, vakdidacticus aardrijkskunde, op het 'ontwerpen van omgevingsonderwijs'. Volgens Vankan is het niet genoeg dat steeds meer leraren zelf materiaal voor omgevingsonderwijs maken. “ Om de basisvorming te kunnen realiseren, moet er hoogwaardig materiaal komen”, zegt hij. “ Van het materiaal dat nu in scholen ligt, is de kwaliteit onbekend. Zeker is alleen dat het niet is ontworpen om er de kerndoelen voor de basisvorming mee te bereiken.”

Vankan is in het begin van de jaren tachtig betrokken geweest bij het project leerplanontwikkeling geschiedenis en aardrijkskunde (LOGA), dat deze vakken toen voor het lager beroepsonderwijs moest vernieuwen. Belangrijkste vernieuwing was de introductie van omgevingsonderwijs, 'voorbeeldmateriaal' van eerst Nijmegen en daarna Heerlen.

Bij de aanpassing van het Nijmeegse materiaal aan de Heerlense situatie bleken zich een aantal problemen voor te doen. De vakdidacticus die met de aanpassing werd belast, kende Heerlen niet erg goed. Hij was niet betrokken geweest bij de ontwikkeling van het Nijmeegse materiaal, waardoor het doel van bepaalde delen van de stof hem ontging. Verder waren er grote verschillen tussen Nijmegen en Heerlen, zodat een aantal algemene uitspraken ongeldig werd.

Voor zijn proefschrift heeft Vankan gekeken naar de manier waarop enkele aardrijkskundeleraren het LOGA-materiaal hebben bewerkt voor hun school. De leraren omzeilden de problemen van de vakdidacticus die het materiaal aan de Heerlense situatie had aangepast. Ze bewerkten alleen die delen die ze gemakkelijk konden vervangen. Hierdoor waren zelfs degenen die de LOGA-methodiek niet volledig onder de knie hadden, toch in staat een correcte bewerking uit te voeren.

Daarnaast schreef Vankan een algemene handleiding voor het maken van omgevingsonderwijs, die hij door enkele tientallen studenten van tweedegraads lerarenopleidingen aardrijkskunde liet bestuderen. Het boekje, 56 pagina's dun, stelde hen al na een paar uur studie in staat aardrijkskunde-materiaal aan te passen, en dat beter dan de aardrijkskundeleraren van het LOGA-project. Deze laatsten hadden een nascholingscursus van twee hele dagen nodig om het LOGA-materiaal te kunnen bewerken. De hogeschoolstudenten konden na lezing van de handleiding elke soort omgevingsonderwijs aanpassen.

Toch concludeert Vankan niet dat alle docenten aardrijkskunde nu zijn handleiding moeten kopen. Docenten met ervaring in het maken van lesmateriaal, stelt hij realistisch, hebben zo hun eigen methodes. Anderen ontbreekt het aan kennis van hun omgeving. Het liefst zou Vankan zien dat in de aardrijkskundeboeken die voor de basisvorming zullen moeten worden ontwikkeld, behalve hoofdstukken omgevingsonderwijs ook aanwijzingen voor aanpassing aan de eigen streek komen. In Belgie zijn al zulke boeken, in Nederland bevat alleen 'Werk aan de wereld' hoofdstukken omgevingsonderwijs, inclusief (bij te bestellen) lokaal bronnenmateriaal. Volgens Vankan zouden databanken met informatie over de lokale situatie, zoals die waarover de regionale onderwijscentra in Groot-Brittanie beschikken, de lacunes in lokale kennis moeten opvullen.

Leermateriaal maken voor omgevingsonderwijs; handleiding voor het samenstellen van lokaal educatief materiaal, L. J. A. E. Vankan, SLO, Enschede

    • Gretha Pama