A. Bijleveld-Schouten; Ik ben niet echt verkocht aan de politiek, of zo

Sinds de verkiezingen van september 1989 telt de Tweede Kamer 32 nieuwkomers. Sommigen kenden het Binnenhof van zeer nabij, anderen slechts van verre. Wat waren hun ambities en frustraties? Vandaag als vijfde in een serie het CDA-Kamerlid drs. A. Bijleveld-Schouten (28). Katholiek, getrouwd op haar 22ste en sindsdien op zondag in de gereformeerde kerk. Zij werkte eerder bij de gemeente Hengelo, was raadslid in Enschede en is nu de benjamin van de Tweede Kamer.

ENSCHEDE, 24 jan. - Ze is op haar hoede en bescheiden. “Ik heb journalisten in de familie”, glimlacht ze. Er moet dus veel aangedrongen worden. Een bliksemcarriere met veel functies, waarin ze meteen pleegt door te stoten. “Een juweeltje”, had de voorzitter van de Kamerkring CDA-Overijssel gezegd. Ze kan er nog boos om worden. “Verschrikkelijk. Zoiets kleeft aan je”. Haar capaciteiten?”Vraag maar aan een ander”.

Ank Bijleveld-Schouten komt uit een CDA-gezin. Vader - beroepsmilitair - richtte in Wijchen een CDA-afdeling op, moeder was actief in het CDA-Vrouwenberaad. Op het Nijmeegse Dominicus College zat ze in leerlingenraden. Thuis discussieerde ze over politiek. Over defensie werden ze het zelden eens. Ze hield van organiseren en interesseerde zich voor de overheid. Bestuurskunde aan de Universiteit van Twente lag voor de hand. In Enschede ging het hard. Ze werd er lid van het CDJA, wegens de evangelische beginselen en de onafhankelijke opstelling. Van de CDA-idealen rentmeesterschap, gespreide verantwoordelijkheid, gerechtigheid en solidariteit zijn voor haar de laatste twee veruit het belangrijkst. “Een schild voor de zwakken zijn, dat springt er voor mij uit.” Dat wil de PvdA toch ook?”Ja, maar vanuit een heel andere inspiratiebron. In z'n uitwerking kan dat dan heel goed bij elkaar komen”. Haar favoriete politicus: Jan de Koning.

In de raadsfractie van tien leden werd ze meteen secretaris. In het fractiebestuur leerde ze oppositie voeren tegen het PvdA-VVD college - strategie en presentatie. Hoe oefenen we invloed uit, wanneer presenteren we alternatieven. In de fractie leerde ze incasseren, “om dan later weer op een andere manier aan je standpunt vast te houden”. Inhoudelijk hield ze zich bezig met emancipatie, sociale zaken en financien.

Hoe ziet ze zichzelf?''Als een generalist. Sociaal bewogen. Een redelijke organisator''. Wat is haar taak als CDA-politicus?''Het beleid vormgeven vanuit je eigen normen en waarden. Vooral opletten wat de gevolgen van het beleid zijn voor de zwakken.'' Zo belandde ze in 1989 als nr. 59 op de kandidatenlijst voor de CDA-fractie in de Tweede Kamer. Dat ze vrouw was hielp. Dat ze uit Overijssel kwam ook. Aan beiden had de partij gebrek. Maar haar kandidatuur werd ook breed gesteund. Vijf afdelingen uit de regio, het CDAJ, het CDA-Enschede en de katholieke bond van ouderen.

En dus gaat ze drie, soms vier vergaderdagen per week van Enschede naar Den Haag - vijf uur treinreizen per dag. Op het Binnenhof was ze nooit eerder geweest. Haar eerste ervaringen waren stereotiep. Het doolhof. De papierstroom. De hoeveelheid commissies en vergaderingen. Het belang van procedures. Ze kwam terecht in de commissies sociale zaken, binnenlandse zaken, justitie, EG-zaken, Antilliaanse zaken, ambtenarenzaken en politie. Van de commissie ontwikkelingssamenwerking is ze inmiddels vice-voorzitter. “Er is geen minuut tijd voor reflectie. Je holt van het een naar het ander”.

De fractie met 54 man vond ze aanvankelijk een chaos. Het was er zo'n lawaai dat het moeite kostte om uit te vinden wie het woord had. “Langere termijn onderwerpen komen te weinig aan bod. Het gaat vaak alleen wat over wat er die week is”. De Kamer vindt ze “zeer beperkt toegerust. Er is al een groot tekort aan computeraansluitingen”. Dat was in Hengelo beter geregeld.

In november was ze geinstalleerd, eind februari schreef ze haar eerste stukken - reacties namens het CDA op wetsvoorstellen, in de vorm van zogenoemde Voorlopige Verslagen. “Heel bizar is dat. Dat zijn verslagen van vergaderingen die nooit zijn gehouden. 'De leden van de CDA-fractie waren van mening... ', schrijf je dan', ”. Door alles te lezen en bij te wonen, leerde ze selecteren, “anders is het niet bij te houden”. Maar op minstens drie terreinen moet een Kamerlid toch wel actief blijven, meent ze. “Dan word je tenminste gedwongen over je sector heen te kijken”. Niet iedereen doet dat, vindt ze.

Waren er hoogtepunten of dieptepunten? Het blijft stil: “Ik ben vrij gelijkmatig in mijn oordelen.” In de affaire-Braks viel haar de grote rol van de “intermenselijke processen” op. “Het was opeens niet meer bestuurbaar. De manier waarop je iets zegt geeft soms de doorslag, en niet meer de inhoud. Als dit anders was voorbereid was het zo niet gelopen”. Het aardige van de Kamer vindt ze de veelzijdigheid en de grote hoeveelheid contacten. “Ik ben niet echt verkocht aan de politiek, of zo. Ik heb ook geen carrierepad voor mezelf uitgestippeld. Hoewel je dit werk wel twee periodes zou moeten doen om het fatsoenlijk onder de knie te krijgen”. Ze is net lid van de commissie Steenkamp, die het CDA beginselprogramma voor de jaren negentig moet herschrijven. “Ik zie het belang van de ideologie wel terugkomen. Uiteindelijk hebben consumentisme en individualisme zulke negatieve gevolgen dat politieke partijen gedwongen zijn om daar wat aan te doen”.

    • Folkert Jensma