Tentoonstelling W. Lowenhardt over ellende Westerbork; Triomf van een tekenaar

Het is niet dat Werner Lowenhardt zich niet druk maakt over de Golf, integendeel, maar hij kan er gelukkig tamelijk stoicijns onder blijven.

Hij heeft alleen nog even een neef in Tel Aviv gebeld om te vragen of het misschien niet veiliger zou zijn als die met zijn hele misjpoge even bij hem in Amsterdam zou komen logeren - maar nee, ze zijn daar al decennia lang aan oorlogsdreiging gewend en zelf is hij er sinds de Tweede Wereldoorlog altijd tamelijk goed in geslaagd afstand te bewaren tot verdriet en-of machtmerries. Hij heeft destijds in Westerbork geluk gehad, ze hebben hem nooit op transport gezet en hij heeft er gewoon (wat heet gewoon) zijn werk kunnen doen. Natuurlijk, iedereen heeft over de oorlog een eigen verhaal. Maar het zijne is te weinig traumatisch om er juist op dit ogenblik extra angstig door te zijn.

Volgende maand worden in de Mozes en Aaronkerk in Amsterdam zijn Westerbork-tekeningen tentoongesteld, als onderdeel van een uitgebreide herdenking van de Februaristaking van 1941. Koel geregistreerde prenten en prentjes, sommige in snelle potloodkrassen, andere uitgewerkt in precieze pennestreken, van de trein met het bordje Westerbork-Auschwitz en Auschwitz-Westerbork, de barakken, de desolate leegte van de Drentse heide, de concertzaal waarin de wekelijkse Bunter Abend werd gehouden, de stapelbedden, de appelplaats, de werkplaats waar oorlogsmaterieel werd vervaardigd uit onderdelen van neergeschoten vliegtuigen, en de stakerige boompjes die de gure wind maar nauwelijks konden weerstaan. Mensen staan er zelden op, er is alleen een tekening van de vertrekkende trein, met schimmen die hun povere boeltje naar de openstaande deuren dragen en de rug van Juden Fischer op de voorgrond. Ook op die prent overheerst de nuchtere registratie.

Lowenhardt (71 nu) beaamt dat zijn observaties niet zijn doordrenkt van de tragiek van het kamp. “Als je tot tranen toe geroerd bent”, zegt hij, “kun je niet tekenen. Ik was heel geconcentreerd bezig met te registreren wat ik zag, en ik probeerde bijvoorbeeld heel goed te letten op het perspectief. Het was mijn werk, ik deed mijn werk - en vanuit mijn achtergrond en mijn opleiding was ik vooral bezig met de meer grafische kant van het tekenen.”

Hij was een slagerszoon uit Dortmund, die al in 1935, op zijn vijftiende, naar familie in Holland verhuisde, omdat hij voorvoelde dat het in Duitsland mis zou gaan. Toen de eerste hulponderwijzers aan het Hindenburg-gymnasium in SA-uniform op school kwamen, stond zijn besluit vast. Hij ging naar Enschede, werkte daar als reclameschilder en volgde tot in 1942 tekenlessen. Zijn verfdoos en zijn tekenspullen nam hij mee, toen de oproep voor de joodse werkverschaffing kwam. Het eerste jaar in Westerbork was hij ordonnans, maar hij bleef tekenen.

Met zijn tekenblokje werd hij op een keer betrapt en naar het kantoortje gebracht van de secretaresse annex maitresse van kampcommandant Gemmeker. In plaats van straf kreeg hij van haar echter het verzoek diens huis te tekenen - als verrassing voor de baas. “Maar dat huis lag aan de andere kant van het prikkeldraad. Ik kan het natuurlijk niet door het prikkeldraad tekenen, zei ik toen.” Daarop gaf ze hem een Ausweis. Lowenhardt heeft het bewaard, zoals hij bijna alles uit die tijd heeft bewaard. Het kaartje vermeldt dat de houder voor het maken van Skizzen und Zeichnungen bewegingsvrijheid moest hebben. Het heeft hem, zegt hij, het leven gered.

Later kwam hij te werken op het statistisch tekenbureau, dat in opdracht van 'de heren in Den Haag' op aansprekende wijze het reilen en zeilen van het kamp in beeld bracht. Het bureau produceerde vaardig gevisualiseerde kaarten over de aantallen inwoners, de produktie van de werkplaats en andere cijfermatige gegevens. “Je kunt je er als buitenstaander nauwelijks in verplaatsen, maar het was allemaal op perfide wijze georganiseerd. Er was ook kampgeld, dat moest worden ontworpen. Er waren overal bordjes die moesten worden gemaakt. Er waren programmablaadjes te ontwerpen voor de wekelijkse revue. En voor al die werkzaamheden waren we uitstekend voorzien van materialen. Ik heb daar op een gegeven moment een tekenbord gekregen - zo mooi heb ik het nooit van m'n leven meer gehad.”

Hij laat een krantje zien, dat ze op een avond “in een melige bui” in elkaar hebben gezet, vol geintjes en gebbetjes over de eigenaardigheden van diverse kampgenoten. Hij zat, voegt hij eraan toe, in een club jonge jongens en meiden die nog niet de droefenis van de ouderen op hun schouders torsten en ondanks alles pret konden hebben. Grappen maken, kattekwaad uithalen, vrijen. “Wat wist je van Polen? Je wist niks. Er was altijd een spannend moment als de transportlijsten bekend werden. Maar als je de dans weer was ontsprongen, ging je 's avonds naar het cabaret en dan was je de trein alweer vergeten.”

Pas na de oorlog bleek, dat zijn hele familie nooit meer terug zou komen - net als al die 102.000 anderen. Voor hen wil de Werkgroep Westerbork 102.000 nu op de appelplaats van het voormalige kamp een ereveld inrichten met 102.000 stenen. Iedereen die fl. 25, - betaalt, adopteert daarmee een steen. Lowenhardt heeft het affiche en de folder ontworpen, gebaseerd op een tekening die hij als gevangene van de trein heeft gemaakt: “Er zijn overal monumenten, maar er is nog niet een monument dat de massaliteit aangeeft. Dat willen we bereiken, een blijvend ereteken dat onmiddellijk laat zien hoe verschrikkelijk veel het er waren.”

Vorig najaar is hij met zijn dochter meegegaan op een groepsreis naar Auschwitz en Birkenau. Hij heeft gelopen en gestaan op de plekken waar zijn vader en zijn moeder, zijn ooms en tantes en al die anderen hun laatste dagen en uren hebben doorgebracht. Dat heeft vanzelfsprekend een diepe indruk op hem gemaakt. Maar als hij er nu aan terugdenkt, overheerst een gevoel van triomf: het feit dat levende joden daar met hun kinderen - de volgende generatie - konden zijn, was in feite een overwinning op Hitler: “Het is hem dus niet gelukt.”

    • Henk van Gelder