Schilderijen op papier uit de achttiende eeuw in het Rijksprentenkabinet; Perfecte idylles zonder een lichte toets

Tentoonstelling: Hollandse aquarellen uit de achttiende eeuw. Selectie uit de eigen collectie. T-m 18-2 in Rijksprentenkabinet, Amsterdam. Geopend: di. t-m za. 10-17 uur, zo. 13-17 uur. Catalogus: fl. 49, 50.

Buitenlandse reizigers die ons land in de achttiende eeuw bezochten, brachten maar weinig waardering op voor hun kunstzinnige Hollandse tijdgenoten. De Engelsman Samuel Ireland klaagde over het gemis aan raffinement en smaak in de Republiek. Over de buitenplaatsen en tuinen hier merkte hij minachtend op: “geen eenvoud of grandeur, met monsterlijk vervormde bomen en zwaarlijvige godinnen.” De Duitse baron von Pollnitz sloot zich bij Ireland aan en vond de interieurs van de Amsterdamse herenhuizen, waarvan sommigen gedecoreerd door Jacob de Wit, maar armzalig. Een andere reiziger stoorde zich vooral aan de landschapsschilders. De onderwerpen die deze uitkozen waren volgens hem 'walgelijk'; hoe beter een kunstenaar een laag-bij-de-gronds tafereel imiteerde, hoe choquerender hij de voorstelling vond.

Natuurlijk beoordeelden deze toeristen de Hollandse kunstenaars vanuit de (puriteinse) moraal en het voorgeschreven schoonheidsideaal van hun tijd, net als wij hun oordeel nu toetsen aan de maatstaven van onze tijd. De morele verontwaardiging over de onderwerpkeuze van de kunstenaars en de crue bewoordingen daargelaten, kun je je afvragen of er niet een kern van waarheid schuilt in wat de buitenlanders over de kwaliteit van de Hollandse kunst zeiden.

De Republiek had in de achttiende eeuw niet alleen haar rol als centrum van handel en kunst in de wereld verloren, maar boette politiek ook aan geloofwaardigheid in binnen de eigen landsgrenzen. Na de Gouden Eeuw kon eigenlijk alles wat op artistiek gebied in Holland gemaakt werd, alleen maar tegenvallen. Voor artistieke inspiratie gingen kunstenaars te rade bij hun zeventiende-eeuwse voorgangers; soms ook wendden zij hun blik naar het westen en het zuiden, naar Frankrijk, Engeland en Italie waar de rococo, het neo-classicisme, het realisme en de vroege romantiek opgang deden. De weinige Hollandse kunstenaars die internationaal tamelijk bekend werden, waren Cornelis Troost, de gebroeders Van Spaendonck en Jan van Huysum. De rest van de achttiende-eeuwse kunstenaars raakte geleidelijk in vergetelheid.

De tentoonstelling in het Rijksprentenkabinet Hollandse aquarellen uit de achttiende eeuw wil daar verandering in brengen. Ruim zeventig tekeningen 'in waterverven', 'sapverven' en 'gecouleurde tekeningen', zoals aquarellen vroeger genoemd werden, zijn tot 18 februari te zien. Bijna geen aquarel op deze expositie heeft die karakteristieke lichte toets en de diffuse kleuren die wij van latere aquarellisten kennen. Wat in het Rijksprentenkabinet ten toon is gesteld, zijn in feite schilderijen op papier.

Nauwkeurig hebben de meeste kunstenaars eerst met potlood of houtskool de contouren en structuur van de voorstelling getekend, om deze vervolgens met eindeloos geduld en precisie in te kleuren. Er zijn topografische aquarellen waarop ieder kinderkopje in de straat, iedere pan op het dak en steen in de muur is afgebeeld; ijsgezichten waarop niet alleen figuren op de voorgrond in hun bezigheden te zien zijn, maar ook de vaantjes, masten en wanttouwen van in de verte vastgevroren schepen (onder anderen Hendrik Kobell en Jacob Cats). Veel van deze bladen doen door hun extreem vergaande perfectionering stijf aan. De menselijke figuren - of ze nu gekleed gaan in veelkleurige galakostuums en avondtoiletten of eenvoudige boerentenues - zijn niet meer dan figuranten in een statisch schouwspel. Deze stijfheid en formaliteit hangt vermoedelijk samen met het feit dat de meeste achttiende-eeuwse aquarellisten emplooi vonden als behangselschilders, een (nog) bloeiend ambacht in die tijd.

Diepgang

Slechts enkele kunstenaars durfden schetsmatiger te werken. Jurriaan Andriessen, een produktief ontwerper-schilder van interieurdecoraties in neo-classicistische en Hollands-naturalistische stijl, toont in zijn breed opgezet Idyllisch-arcadisch landschap met klassieke gebouwen en vooral het Dijkgezicht buiten Amsterdam hoe een 'spontaan' geschilderde aquarel aan persoonlijkheid en diepgang kan winnen. Ook Jan van Huysum (1682-1749), bekend in heel Europa om zijn losse composities van bloem- en fruitstillevens, trekt in het Prentenkabinet de aandacht met zijn barokke schets. Van Huysum heeft eerst in vette houtskoollijnen bloemen, perziken en druiventrossen schuin onder en achter elkaar over het papier gerangschikt. Daarna heeft hij deze vormen met snel- maar goedgekozen kleuren opgehoogd. Misschien voortgestuwd door de angst de bloemen voor zijn ogen te zien verwelken en de vruchten ineen te zien schrompelen, heeft het stilleven zo'n vaart gekregen dat het het genre zelf lijkt te bespotten.

Andriessen en Van Huysum vormen met Simon Krausz, Jacob de Wit en (soms) Cornelis Troost een welkome afwisseling op de expositie in het Rijksprentenkabinet. De overige aquarellisten informeren de toeschouwer weliswaar over de zeden en gewoonten van de achttiende eeuw, maar hebben artistiek weinig te bieden. Wat dat betreft hebben de toeristen van twee a drie eeuwen geleden gelijk: de meeste Hollandse kunstenaars missen de zwier van hun zuidelijke en de natuurlijke eenvoud van hun westelijke collega's.