Pohl: nog lang geen Europese centrale bank

DEN HAAG, 23 JAN. De president van de Duitse Bundesbank, Karl Otto Pohl, blijft tegenstander van de snelle oprichting van een Europese centrale bank.

Op de weg naar monetaire eenwording in de Europese Gemeenschap is voorlopig geen nieuwe instelling nodig.

Dat verklaarde Pohl gisteravond in Den Haag. Daar hield hij een rede in de Ridderzaal voor de Vrienden van het perscentrum Nieuwspoort.

De Duitse centrale bankier waarschuwde voor het gevaar dat de economische en monetaire eenwording halverwege blijft steken en een “halfbakken unie” oplevert. Dat zou een beperking betekenen van de vrijheid van handelen van de nationale centrale banken die relatief onafhankelijk zijn van hun regering, zoals de Bundesbank en De Nederlandsche Bank. “Andere partners zijn daar misschien blij mee omdat zij zo meer invloed krijgen op de D-mark, maar ik zie niet dat dit voor Duitsland acceptabel is”, zei Pohl.

Volgens Pohl moet een Europese centrale bank pas worden opgericht wanneer duidelijk is welke landen bereid en in staat zijn de koersen van hun valuta's onherroepelijk aan elkaar vast te klinken en een gemeenschappelijk monetair beleid te voeren. Zo wordt voorkomen dat er gedurende een onbepaald lange periode een “grijze zone” bij de monetaire verantwoordelijkheid ontstaat, aldus Pohl.

De twaalf EG-landen zijn eind vorig jaar overeengekomen dat op 1 januari 1994 de tweede fase van de monetaire eenwording ingaat. In die tweede fase moet een nieuwe instelling worden opgericht die onder meer tot taak krijgt de coordinatie van het monetaire beleid te versterken en voorbereidingen te treffen voor de invoering van een Europese munt.

Volgens Pohl is het beter deze taken aan een bestaande instelling, het Comite van Gouverneurs van de Europese centrale banken, over te laten. “Een nieuw instituut is hiervoor naar mijn mening niet nodig, en al helemaal niet een Europese centrale bank.”

Volgens Pohl bestaat het gevaar dat een instelling die jarenlang niet meer is dan een “lege huls” zonder monetaire functie, van meet af aan ongeloofwaardig zal zijn. Van een gedeeltelijke overdracht van monetaire functies aan zo'n instelling mag geen sprake zijn, aldus de Duitse centrale bankpresident. “De verantwoordelijkheid op dit terrein is ondeelbaar en kan niet in plakjes worden overgedragen. Het monetaire beleid leent zich niet voor experimenten met onzekere afloop.”

Dit Duitse standpunt wordt gedeeld door De Nederlandsche Bank. Ook de Nederlandse minister van financien, Kok, is zeer terughoudend over een snelle monetaire eenwording zonder dat aan inhoudelijke voorwaarden is voldaan.

De Bundesbank-president keerde zich in zijn toespraak ook tegen het Britse alternatief om een 'harde ecu' in de EG in te voeren als parallele munt naast de bestaande valuta's. Zo'n ecu zou als extra bron van geldschepping inflatiegevaar meebrengen en zou bovendien de coordinatie van het monetaire beleid nog moeilijker maken, aldus Pohl.