Pensioenplan Lubbers vereist solide financieel beleid staat

ROTTERDAM, 23 JAN. Premier Lubbers heeft zijn suggestie om een bedrag van 50 miljard weg te halen bij de pensioenfondsen gebaseerd op gedachten die leven bij topambtenaren in de Centraal Economische Commissie (CEC).

Die suggereerden onlangs bij de pensioenfondsen nu belasting te heffen over toekomstige pensioenen. De consequentie daarvan is wel dat op uitgekeerde pensioenen minder belasting wordt geheven.

De CEC stelt in een vertrouwelijk advies vast dat de staat in feite een 'latente' claim heeft op vermogens bij p, omdat pensioenpremies en lijfrentes fiscaal aftrekbaar zijn. De gevolgde methodiek leidt zo tot hoge (benodigde) vermogens bij de pensioenfondsen en een optisch hoge staatsschuld. De CEC komt daarom met de suggestie een eenmalige heffing te leggen op de vermogens ten gunste van de staatsschuld. Daarna kan jaarlijks de som van ontvangen premies en beleggingsopbrengsten worden belast. Bij uitkering van de pensioenen wordt dan een overeenkomstige belastingvermindering gegeven. Het netto pensioenresultaat blijft dan gelijk. Bij een heffing van tien procent is de eenmalige schuldvermindering ongeveer 50 miljard gulden.

Door de vermindering van de staatsschuld, zoals Lubbers wil, heeft de overheid nu een rentevoordeel; bij een staatsschuldvermindering met 50 miljard loopt dat rente-voordeel zelfs op tot jaarlijks 4 a 5 miljard gulden. Maar daar staat tegenover dat over de uitgekeerde pensioenen geen belasting meer wordt ontvangen. Volgens deskundigen vereist een dergelijke operatie dat de overheid in de toekomst een zeer solide financieel beleid voert. Als het financieringstekort weer zou oplopen, kan de overheid niet opnieuw 'een greep in de kas' van de pensioenfondsen doen. De neiging kan bij de overheid dan groot zijn later alsnog belasting te heffen over uitgekeerde pensioenen.

De CEC stelt dan ook vast dat het structurele financieringstekort van de overheid met worden verlaagd met de vermindering van de rentelasten die uit de eenmalige schuldvermindering voortvloeit. Daarnaast ontstaat een (naar voren gehaalde) inkomensstroom van 3 a 4 miljard gulden per jaar die in de ogen van de CEC voor lastenverlichting kan worden gebruikt. De CEC ziet als voordeel van de operatie dat de belastinginkomsten stabieler worden ten aanzien van fluctuaties in rente en pensioenaanspraken.

Ideeen zoals die van Lubbers en zijn topambtenaren zijn in verschillende varianten wel eens vaker gelanceerd. De Groningse hoogleraar De Kam ontwierp enkele jaren geleden zijn 'grijstax'. Zijn gedachte was een heffing te leggen op de opbrengsten van pensioenfondsen en eventueel ook die van woningbouwcorporaties. Een heffing van tien procent zou zeker 3 a 3, 5 miljard gulden opleveren. De rechtvaardiging voor de heffing ligt volgens De Kam in de gedachte dat pensioenfondsen en woningbouwcorporaties profiteren van de rechtsorde die door de overheid in stand wordt gehouden. Vennootschappen betalen tenslotte ook vennootschapsbelasting. In het kader van de zogenoemde Brede Herwaardering is voorgesteld 'overwinsten' bij pensioenfondsen weg te belasten. De CEC meent dat haar idee los staat van de Brede Herwaardering. Denkbaar is volgens haar dat beide tegen elkaar worden afgewogen.

In sommige landen bestaat al een voorheffing op pensioenen. Zo kent Australie een dergelijk systeem. In Duitsland wordt belasting betaald over pensioenrechten, zolang men werkt. De uitkeringen zijn dan onbelast. Het Duitse systeem verbreedt de heffingsgrondslag van het inkomen van de werknemer. Dat betekent dat het belastingtarief omlaag kan. Het CDA-Kamerlid Vreugdenhil ziet als voordeel in belastingvrijdom op pensioenuitkeringen dat de belastingvlucht uit Nederland zou kunnen afnemen. Ook hij wijst erop dat de overheid een zeer degelijk financieel beleid moet voeren, indien zij inkomsten naar voren haalt. “Misschien kan de vergroting van de begrotingsdiscipline in het kader van de Europese Monetaire Unie helpen.”