Oorlog in de Golf brengt het cultureel erfgoed van Irak in gevaar

In het Nationaal Museum van Bagdad bevinden zich kostbare voorwerpen uit de vroegste periode van de westerse beschaving. Vandaag heeft de Iraakse regering de Westerse geallieerden beschuldigd van een aanval op dit museum. Ook islamitische heiligdommen zouden zijn getroffen. “Met opzet zijn er heiligdommen in Najaf, Kerbala en Niniveh beschadigd”, aldus radio Bagdad. “Daden van agressie waarop met zelfmoordcommando's zal worden gereageerd”. Is het denkbaar dat de Unesco, de culturele organisatie van de Verenigde Naties, binnenkort moet protesteren tegen de gevolgen van de VN-resoluties? Waaruit bestond de cultuur van het Tweestromenland tussen Eufraat en Tigris, en welk gebruik maakt Irak daar nu van?

ROTTERDAM, 23 jan. - In oktober vorig jaar, twee maanden na de Iraakse invasie van Koeweit, verscheen een rapport van de Unesco, de culturele organisatie van de Verenigde Naties. Daarin werd Irak ervan beschuldigd “de nationale culturele identiteit van het Koeweitse volk uit te wissen”. Dat had onder meer betrekking op de plundering van het Nationale Museum van Koeweit. De totale collectie, hoogtepunten van de islamitische cultuur, is naar Bagdad overgebracht, “om haar te beschermen tegen schade door luchtaanvallen”, aldus Irak. De meerderheid van de speciale Unesco-vergadering in Parijs hield het op diefstal - de Koeweitse kunstschatten zouden louter moeten dienen ter meerdere eer en glorie van de islamitische cultuur in Irak.

Ironisch genoeg is het nu goed denkbaar dat de culturele erfenis op Iraaks grondgebied - museumcollecties van onschatbare waarde, archeologische opgravingen, monumenten en historische ruines - gevaar loopt door geallieerde luchtaanvallen, en binnenkort wellicht ook door grootscheepse manoeuvres op de grond.

Volgens Anne Raidl, directeur van de Unesco-afdeling die zich met het beheer van cultureel erfgoed bezighoudt, is het risico dat de gevechtshandelingen met zich meebrengen in Irak “relatief groot, door de enorme rijkdom aan cultuurgoederen”. Definitief valt er volgens haar echter nog niets te zeggen, “maar als de Amerikanen en Britten inderdaad zo accuraat bombarderen als ze zeggen, dan is er hoop dat de schade beperkt blijft.”

De oorlogvoerende partijen zijn volgens Raidl gehouden aan bestaande en door hen geratificeerde culturele verdragen. De ervaring van de Tweede Wereldoorlog leert volgens haar bovendien dat de adviezen van kunsthistorici - die waren toegevoegd aan de geallieerde staven - werden meegewogen bij de militaire besluitvorming, al hebben die hoogstwaarschijnlijk nooit de doorslag gegeven. Tijdens een persconferentie vrijdag in Riad stelde een Amerikaanse luchtmachtgeneraal nadrukkelijk dat men “religieuze objecten” tracht te ontzien. Respect voor het cultuurbezit in Irak is daarbij waarschijnlijk aangelengd met een dosis eigenbelang; schade aan islamitische heiligdommen zou de islamitische partners in de coalitie tegen Irak immers in gewetensnood brengen.

Met een vooruitziende blik heeft Irak dan ook belangrijke militaire en industriele installaties gebouwd, juist in de nabijheid van die heiligdommen, zoals Samarra, Najaf en Kerbala.

Is de paradoxale situatie denkbaar dat de VN-organisatie Unesco zou moeten protesteren tegen de gevolgen van VN-resoluties? In theorie wel, zegt Raidl, maar culturele en militaire factoren laten zich nu nauwelijks meer op dezelfde schaal wegen. “Van tevoren hebben we alles in het werk gesteld om de gevolgen te beperken, maar nu is het te laat. Dat is zeer beangstigend.”

RAMP

Volgens Maurits van Loon, emeritus-hoogleraar prehistorie en archeologie van West-Azie aan de Universiteit van Amsterdam, zou een bom op het Nationaal Museum van Irak in Bagdad “een ramp” zijn - “niet alleen voor de kunsthistorici, maar voor de gehele mensheid, want daar ligt de kostbaarste verzameling voorwerpen uit het begin van onze westerse beschaving”. Of het museum in de afgelopen dagen getroffen is, valt niet met zekerheid te zeggen, maar de ligging op een steenworp afstand van de verwoeste televisiestudio's en van het centraal station van de stad, is in elk geval niet zeer gunstig. Wanneer de bombardementen op Bagdad met - hoogvliegende en niet al te nauwkeurige - B-52's worden uitgevoerd, zoals correspondenten ter plekke gisteren hebben gemeld, zijn de perspectieven nog ongunstiger.

Het museum herbergt zo'n honderdduizend voorwerpen, daterend van het tiende millenium voor Christus tot en met het Ottomaanse rijk waar Irak tot 1918 deel van uitmaakte. Volgens niet-bevestigde berichten zouden tijdens de oorlog met Iran (1980-1988) onder het museum betonnen kelders zijn gebouwd, waarin het goud van de Assyrische en Babylonische vorsten werd opgeborgen, met het duizenden jaren oude aardewerk van die beschavingen.

Na beeindiging van die oorlog heeft de museumstaf de verzameling weer in de zalen opgesteld. Nederlandse archeologen, die tot voor kort contacten met Irak hebben onderhouden, denken dat de kunstschatten de laatste weken opnieuw zijn verhuisd naar de kelders, maar hoe veilig die werkelijk zijn is niet duidelijk. Of de unieke, tonnenzware muurreliefs en gevels met afbeeldingen van koninklijke leeuwenjachten, oorlogen en triomftochten, daar ook zijn opgeborgen, wordt betwijfeld.

EIGENTIJDS

Hoewel al in 1932 plannen werden gemaakt voor een Nationaal Museum van Irak, is het gebouw pas in 1963 opgeleverd. Het complex met een totale oppervlakte van circa 45.000 vierkante meter, ligt in een park even buiten het eigenlijke stadscentrum. Het interieur van het vier-vleugelige gebouw, naar een ontwerp van de Duitse architect Werner March, oogt eigentijds. Geen antieke toonkasten met veertig grafbeeldjes, waarvan je er dertig nauwelijks kunt zien, zoals in Kairo, maar met zorg ingerichte en adequaat verlichte vitrines.

Volgens Van Loon is deze museumverzameling om drie redenen van mondiaal belang.

In West-Azie, waartoe behalve Irak onder meer ook Iran, Syrie en Jordanie worden gerekend, is al omstreeks het zevende millenium voor Christus een begin gemaakt met landbouw en veeteelt; in Europa gebeurde dat pas drieduizend jaar later. De voedselvoorraden die werden aangelegd, stelden de nomaden voor het eerst in staat zich op een plaats te vestigen en nederzettingen te bouwen.

In de tweede plaats ontstond omstreeks 3.400 voor Christus in het zogeheten 'Tweestromenland' tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris, de allereerste stedelijke beschaving met een monumentale architectuur en een ambtenarenklasse die er een geschreven administratie op na hield, in de vorm van kleitabletten.

Een derde reden om aan de culturele resten in het gebied tussen Eufraat en Tigris groot belang te hechten, is de invloed die van daar uit via Turkije en Syrie is uitgegaan op Griekenland, en dus op de Westerse beschaving als geheel; zo wordt aangenomen dat het schrift, de wiskunde, aardewerktechnologie, astrologie en zekere mythen vanuit Mesopotamie het westen bereikt hebben.

Vooral dankzij westerse expedities is veel van het Iraakse patrimonium blootgelegd. De meest interessante plaatsen zijn aan de Iraki's voorbehouden. Westerlingen hebben vaak deelgenomen aan zogenaamde noodopgravingen, in gebieden die door de bouw van een stuwdam binnen afzienbare tijd onder water zouden komen te staan. Tot vorig jaar mochten er Amerikaanse teams graven. Tijdens de oorlog met Iran zijn de archeologische activiteiten voortgezet. Bewegingen van de buitenlanders werden echter op de voet gevolgd. “Irakezen zijn zeer argwanend tegenover vreemdelingen”, meent Van Loon. “Het is een in zichzelf gekeerd volk - in tegenstelling tot Syriers, die als handelslieden en zeevaarders veel opener zijn.”

Voor elke verplaatsing hadden expeditieleden een visum nodig. Opgravingsteams kregen een auto met chauffeur toegewezen waarvan verplicht gebruik gemaakt moest worden. Zo werd een Pools oudheidkundig team, dat aan het eind van een werkdag geen auto aantrof en toen maar te voet naar het tien kilometer verderop gelegen dorp vertrok, opgewacht door de geheime politie van Irak voor een verhoor en een reprimande.

“In Irak is nog veel te graven”, meent Van Loon. Hoewel bouwwerken veelal werden opgetrokken van ongebakken 'modderstenen', waardoor daken en verdiepingen het al snel begaven, bleven muurfragmenten overeind staan. Binnen de ommuurde ruimtes hoopten zich vervolgens in de loop van jaren dakresten, begroeiing en zand op, zodat een soort heuvel, een zogeheten tell ontstond, waarvan er vele te vinden zijn in Irak en de omringende landen.

BRIEF

Nederlandse archeologen zijn naast Fransen en - vooral - Duitsers sinds jaar en dag betrokken bij opgravingen in Irak. Eind vorig jaar, na de Iraakse inval in Koeweit, ontvingen enkelen van hen een 'persoonlijke brief' van het duistere comite 'Support Protecting The Human Heritage in Iraq'. In de onleesbaar ondertekende brief wordt gewaarschuwd voor de 'totale vernietiging' van deze verspreide archeologische opgravingen: “Star War? Niet tegen de bevolking van een land met een eeuwenoude geschiedenis als Irak dat de belangrijkste nalatenschap beheert van de menselijke cultuur”. In de vanuit Irak verzonden brief worden oudheidkundigen - “ongeacht uw eigen politieke opvattingen” - opgeroepen “een catastrofe te voorkomen (... ) en achter Irak te gaan staan”.

Een aantal van de meest zuidelijke archeologische sites zouden in theorie gevaar kunnen lopen, vooral bij massale tankbewegingen. Daaronder bevinden zich de ruines van de historische steden Ur en Uruk (het decor van het Gilgamesj-epos). Beide monumenten liggen aan de benedenloop van de Eufraat, op honderdvijftig kilometer van de Koeweitse grens.

Voor de meeste tells lijkt het gevaar voor zo'n 'catastrofe' echter te verwaarlozen, omdat ze meestal ver buiten steden en andere mogelijke doelwitten liggen. Een Nederlandse archeoloog beschouwt de brief dan ook in de eerste plaats als “Iraakse propaganda”. Irak zou de adressen gekregen hebben van de organisatie van een archeologisch congres, dat in december gehouden zou worden, maar werd afgelast.

Ook Unesco-directeur Anne Raidl kent de Iraakse briefschrijvers niet. Hoewel in Irak grote vooruitgang is geboekt bij de bescherming van cultureel erfgoed, moet men het werkelijke belang daarvan volgens haar niet overschatten. Van het bestaan van kelders voor het veilig opbergen van kunstvoorwerpen - “zoals Nederland en Duitsland die hebben” - zegt zij nooit gehoord te hebben.

Heel verbazingwekkend is dat niet, want Irak en de Unesco onderhouden geen al te beste betrekkingen. Dat blijkt onder meer uit de weigering van de Unesco om mee te betalen aan de reconstructie van de stad Babylon op de oorspronkelijke plek, ten zuiden van Bagdad. Volgens de Unesco was de reconstructie onverantwoord; niet de restauratie van de historische stad was het doel, maar het scheppen van een nieuw verleden dat vooruit lijkt te wijzen naar het Irak zoals Saddam Hussein zich dat voorstelt. Tot hetzelfde oordeel kwam ook de Arabische Liga, die eveneens zijn steun ontzegde.

Aan de reconstructie van Babylon heeft Irak inmiddels uit eigen bron naar schatting ruim tweehonderd miljoen gulden besteed. Bij de reconstructie - waaronder een imitatie-stadspoort en stadsmuren - zijn de oorspronkelijke ruines grotendeels vernield. Het werk op de bouwplaats is stilgelegd na de invasie in Koeweit; de Egyptische en Soedanese gastarbeiders zijn massaal gevlucht.

Dit verhaal stond 20 januari in onze zondageditie