'Gemeenteraad onmachtig om wethouder weg te sturen'

ROTTERDAM, 23 jan. - De Rotterdamse gemeenteraad is “feitelijk onmachtig een wethouder tot aftreden te dwingen”.

Die overtuiging heeft het PvdA-raadslid mr. Chr. van Krimpen uit de Maasstad.

Directe aanleiding voor zijn uitspraak is een zaak die momenteel in de Rotterdamse politiek speelt: de betrokkenheid van zijn partijgenoot, wethouder drs. P. Hoogendoorn (verantwoordelijk voor de gemeentebedrijven), bij een recente AVR-affaire. Als voorzitter van de Raad van Commissarissen van de nv Afvalverwerking Rijnmond werd Hoogendoorn in 1987 door zijn ambtenaren gewaarschuwd voor de praktijken van de Boxtelse 'afvalkoning' Van H., die vorige week werd gearresteerd.

Raadslid Van Krimpen vindt dat zowel de AVR-directie als Hoogendoorn “niet verstandig hebben gehandeld door dit risico te nemen”. Hij vermoedt overigens dat deze zaak “op het Rotterdamse stadhuis geen politieke ravage zal aanrichten, omdat ze daarvoor niet groot genoeg is”. Maar mocht dat wel het geval zijn, dan nog zou de raad volgens hem de wethouder niet naar huis sturen. En datzelfde geldt voor het fiasco rond de viering van het 650-jarig bestaan van de Maasstad: Rotterdam 1990.

Van Krimpen: “Straks komt het onderzoek van de commissie-Zijderveld naar dit debacle uit. Je kunt nu al voorspellen hoe dat gaat: het rapport zal ongetwijfeld zeer kritisch zijn over burgemeester Peper, wethouder Vermeulen en ambtenaar Kees Bode. Maar politieke consequenties zal het niet hebben. Zo werkt dat hier.”

Het PvdA-raadslid stelt vast dat het “theoretisch” altijd mogelijk is een wethouder uit zijn functie te zetten. “Maar in de gegeven politieke omstandigheden en in de bestaande bestuurscultuur van Rotterdam is dat feitelijk onmogelijk.”

Dat is volgens hem allereerst een gevolg van de bestuurlijke verhoudingen in Rotterdam. De politieke macht berust er al jarenlang bij een partij, de PvdA. “Wij hebben achttien raadsleden. Daarvan zijn er zes wethouder: die zijn altijd geneigd elkaar te verdedigen. Ook hebben drie leden zitting in het bestuur van de fractie, die eveneens geneigd zijn zich gouvernementeel op te stellen.”

Volgens Van Krimpen is bovendien het systeem van checks and balances verstoord. “Ik ben als raadslid bestuurder en tegelijk controleur. Dat is het grote probleem. Je moet in dit monistische systeem in feite jezelf controleren. Daarvoor heb je een oppositie nodig. Maar in Rotterdam bestaat die niet. Neem de Heijplaat-affaire. Niet vanuit de raad, ook niet vanuit oppositiepartij D66, is het protest tegen afbraak van die wijk gekomen. Dat kwam vanuit de bevolking, gesteund door pers, radio en televisie. Pas daarna hebben de wethouders hun plannen ingetrokken.”

De “onmacht van de raad” om adequaat controle uit te oefenen heeft, zegt hij, ook te maken met de beperkingen die raadsleden bij hun werk ondervinden. Dat geeft een achterstand ten opzichte van de wethouders. “Sommige wethouders zitten hier al heel lang. Twaalf, soms zestien jaar. Het zijn geroutineerde bestuurders, ze kennen alle procedures, ook al omdat ze veelal een ambtelijke achtergrond hebben. Ik bijvoorbeeld heb een eigen bedrijf. Vorig jaar moest ik een week uittrekken om me te verdiepen in de dioxine-affaire van de AVR. Ik moest mijn eigenlijke werk laten liggen.”

Als raadsleden niet in staat zijn wethouders tot aftreden te dwingen, is het bestel dan niet in verwording? Van Krimpen: “Dat is correct.”

Hoogendoorn is een van de drie Rotterdamse wethouders die bij de AVR de Raad van Commissarissen vormen. Ook in die hoedanigheid kunnen ze volgens Van Krimpen onvoldoende door de gemeenteraad worden gecontroleerd. “Daarom zouden wij als gemeenteraad een eigen vertrouwensman tot commissaris moeten kunnen benoemen, omdat je een wethouder nu eenmaal niet laat vallen. En voor mijn part komt er ook een expert van buiten de politiek bij, iemand die je zonodig kunt wegsturen.”

Over de waarschuwingen die wethouder Hoogendoorn in 1987 omtrent Van H. bereikten, zegt Van Krimpen: “Hij wist dat er aan die man een luchtje zat. Je zit in die wereld nu eenmaal met dubieuze figuren. Ik ben ervan overtuigd dat Hoogendoorn te goeder trouw heeft gehandeld. Hij is integer en staat niet voor niets bekend als een milieufreak, maar ik zou destijds in zijn positie niet meer met Van H. in zee zijn gegaan.”

    • Tom-Jan Meeus
    • F. G. de Ruiter