Een en ander

“O Christe vrijheid, gij zijt in last”, verzuchtte onze nationale dichtervorst Vondel, toen de muzelmannen voor Wenen stonden.

Al 't omgelegen Christenrijk Zal land- en zeekust zien schofferen, En Christus kroon getrapt in slijk,

zo vreesde hij. En hij riep de soldaten op “het ongeloof, de vloek van Mohamed” met man en macht te stuiten. Het is de taal van een erflater die op onze scholen en in onze literaire voorstellingswereld geacht wordt de klassieke maat te vertegenwoordigen. Toch begrijpen we van die categorie verzuchtingen en oproepen niets meer.

Het is de taal die we - mits we Christus door Mohammed vervangen - alleen nog vernemen 'van de andere kant'. Tussen Eufraat en Tigris schijnt men, wat het religieuze vijandbeeld betreft, volop te leven in Vondeliaanse en pre-Vondeliaanse tijden. Men teert er op beschavingsgoed dat wij definitief hebben verdonkeremaand.

Is de Golfoorlog een oorlog tegen heidenen? Trekken wij ten strijde om de duivel met de tulband, 'de voorhuidloze erftiran' (om nog eens met Vondel te spreken) te vermorzelen?

Kom nu. Dat men zijn geloof verdedigt tegen andermans ongeloof komt ons voor als een gedachte die alleen maar door geindoctrineerde Arabierenhoofden kan spoken. Zelfs geen driehonderd Billy Grahams zouden president Bush zover krijgen dat hij hardop lucht zou geven aan zo'n gedachte.

Toch is het een westerse erflatersgedachte. Wij willen er niets van weten. Zelfs een neutraal, niet-religieus vijandbeeld wensen we ten opzichte van de tegenpartij niet te koesteren. We lopen juist over van begrip, Saddam Hussein houdt in zijn eentje, zo houden wij ons plechtig voor, een lief, onschuldig volkje in zijn greep. Palestijnen die hem uitgelaten achternahossen zijn eigenlijk hoognodig toe aan een eigen legermacht. Gehoorzaam verbieden we, om de zo door en door eerbare sjeiks en de alwijze oelama's niet te ontrieven, onze soldaten in de woestijn elk contact met onreine weerzinwekkendheden als drank en vrouwen. Nee - we hebben het, als het op oorlog aankomt, maar moeilijk met onze zingeving en motieven.

Waar staat het westen voor als het zo bereid is alles waar het voor staat weg te cijferen? Als het in staat blijkt niet alleen zijn spirituele bronnen, maar zelfs zijn wereldse uiterlijkheden zo gewillig te verdonkeremanen?

Bloed voor olie, luidt daarop het antwoord. Het lijkt me te simplistisch. Het is onmiskenbaar - voor wie goed luistert en toeziet - dat het ook om een oorlog gaat tussen interpretaties van een gewenste maatschappelijke habitus. Tussen ideeenwerelden.

Met als probleem dat wij de grootste moeite hebben onszelf en anderen duidelijk te maken waar onze ideeen liggen.

Een probleem waar Vondel niet mee worstelde. Een probleem waar Saddam Hussein en zijnsgelijken niet mee worstelen.

Zij hebben zekerheden. De zekerheid van de islamitische superioriteit en de zekerheid te leven in een land waar het individu niet in tel is. Wij hebben maar malle, verscheurde democratieen en een raar respect voor enkelingen zonder macht.

De Iraakse propagandamachine bespeelt die zwakheden van het westen zonder scrupules. Met nog vers in het geheugen hoe, ten tijde van de gijzelaars, in ons culturele klimaat de aandacht van de grotere conflicten verschoof naar het wel en wee van doodgewone familieleden, gooide men nu de eerste krijgsgevangenen in het circuit. Het waren akelige beelden van geestelijk en fysiek gemaltraiteerde soldaten. Hoe kon het Iraakse ministerie van Cultuur en Informatie het boemerang-effect van die beelden zo onderschatten? Of was onze verontwaardiging simpelweg net zo welkom als onze bezorgdheid, mits het de aandacht maar verschoof?

Het droeg in ieder geval iets bij tot een verklaring van de ideele aard van het conflict, als die er mocht zijn: enerzijds een maatschappij die het niet kan schelen in wat voor toestand iemand wordt getoond, anderzijds een maatschappij die geacht wordt verlamd te raken door haar eigen sentimentaliteit om het individu. Een sentimentaliteit die, na alles wat er in beschavingszin is verdonkeremaand en teloorgegaan, ons hoogste goed is.

    • Gerrit Komrij