Werk boven inkomen

Nederland is niet alleen ziek - zoals Lubbers steeds beweert - het is ook te laat volwassen, te vroeg oud en te veel gehecht aan het traditionele gezinspatroon.

De cijfers over de onevenredig hoge aantallen zieken, arbeidsongeschikten, vroeg gepensioneerden, Vut-ers, langdurig werklozen en vrouwen die buiten de beroepsarbeid blijven, markeren de wanverhouding tussen de aantallen actieven en niet-actieven. De zeker in vergelijking met andere landen lage deelneming aan het arbeidsproces is waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van de voortdurende begrotingsperikelen. We kunnen wel aan het ombuigen en bezuinigen blijven, zolang het draagvlak niet wordt verbreed zal de druk op de publieke uitgaven niet verminderen.

Er is sprake van een vicieuze cirkel. De hoge publieke lastendruk veroorzaakt een opwaartse druk op de bruto lonen. De 'wig' - het verschil tussen de bruto loonkosten voor de werkgever en het nettoloon dat de werknemer in handen krijgt - wordt steeds groter. De hoge bruto loonkosten betekenen dat de arbeidsproduktiviteit zo hoog mogelijk moet worden opgevoerd. Dit leidt weer tot uitstoot van minder produktieven waardoor de publieke lasten opnieuw stijgen.

Doorbreking van deze vicieuze cirkel is, zoals D. W. Ernste in Economisch-Statistische Berichten schrijft, van cruciaal belang voor het oplossen de dilemma's waarvoor het kabinet zich gesteld ziet. Het onlangs verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 'Een werkend perspectief, arbeidsparticipatie in de jaren '90', bevat aanbevelingen voor maatregelen om meer mensen aan het werk te krijgen. Als bijdrage tot de discussie over de 'tussenbalans' is dit rapport een consistente poging tot oplossing van de werkelijk fundamentele problematiek van de openbare financien.

De prijs voor de meest simplistische bijdrage komt ongetwijfeld toe aan professor E. J. Bomhoff, die in feite maar een oplossing heeft aan te bieden: het onmiddellijk staken van het algemeen verbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten. H. P. M. Adriaansens en W. J. Dercksen, auteurs van het hier besproken WRR-rapport, noemen dit advies - dat eerder gedaan is door de directeur van het Centraal Planbureau en de Commissie van economische deskundigen van de SER - onverstandig vanwege het gevaar van 'haasje-over'-effecten. De algemeen verbindend verklaring beperkt de loonconcurrentie tussen ondernemers die wel en die niet aan een CAO zijn gebonden. Afschaffing zou deze concurrentie doen herleven. De onzekerheid die daarvan het gevolg is, zou loonkostenstijgingen juist minder dan beter beheersbaar maken.

De WRR heeft zelf een beter voorstel voor de vergroting van de loonkostendifferentiatie tussen bedrijven, die noodzakelijk wordt geacht voor loonmatiging. Het uitgangspunt is dat werk boven loon moet worden gesteld. Het rapport beveelt een forse verlaging van het minimumloon aan. Deze ook al vaker bepleite ingreep zou de kansen op de arbeidsmarkt voor groepen met een zwakke arbeidsmarktpositie verbeteren.

De raad voert nog een ander argument aan dat weliswaar logisch past in de gedachtengang van het rapport, maar dat om andere redenen minder steekhoudend is. Het minimumloon, zo luidt de redenering, is gebaseerd op de minimumbehoeften van een gezin. Het aantal minimumloners dat als kostwinner een gezin moet onderhouden is zeer klein geworden: niet meer dan 0, 4 procent. Daarom zou het kostwinners-element aan het minimumloon kunnen worden ontnomen. Het rapport stelt voor het geindividualiseerde minimumloon terug te brengen tot zeventig procent van het sociale minimum voor een gezin.

De denkfout (of liever: categoriefout) die hier wordt gemaakt, is dat geindividualiseerde uitkeringen gelijk kunnen worden gesteld met een geindividualiseerd minimumloon. Het minimumloon is immers de beloning voor een arbeidsprestatie. Het voorstel komt daardoor in strijd met de gedachte van het rechtvaardig loon dat iemand in staat behoort te stellen op een fatsoenlijke manier in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien. Wordt het minimumloon onder het laagste uitkeringsniveau gebracht, dan ontstaat de noodzaak het met werken verdiende loon aan te vullen met een soort bijstandsuitkering. Het feit dat thans een geindividualiseerd uitkeringsstelsel geldt, maakt het voorstel er niet redelijker op.

De ingreep is niet alleen onethisch, maar ook contraproduktief. Want wie zal vrijwillig bereid zijn voor minder dan een minimum-uitkering te werken? Is dat een reden om - zoals in het WRR-rapport ook wordt bepleit - het begrip passende arbeid te verruimen, zodat het dwangelement wordt versterkt?

Er is nog een reden om vraagtekens te zetten bij de bedoelde effecten van een verlaging van het minimumloon. Nog zeer onlangs is het resultaat gepubliceerd van een onderzoek dat in opdracht van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid is uitgevoerd. Een van de conclusies luidt dat de kansen op werk van langdurig werkloze mannen nu eerder groter zullen worden door scholing, werkervaring en een strikter sanctiebeleid dan door opnieuw het minimumloon te bevriezen of te verlagen.

Uit de micro-econometrische modellen die de onderzoekers hebben gebruikt, blijkt dat het effect van een verlaging van het minimumloon in de loop van tijd afneemt. Door de bevriezing van het minimumloon in de jaren tachtig is de afstand met het gemiddeld verdiende loon steeds groter geworden. Dat is de reden waarom de onderzoekers tot de conclusie komen dat een verdere verlaging van het minimumloon steeds minder effect sorteert.

Er bestaat zo langzamerhand een brede overeenstemming over de wenselijkheid dat het kostwinnersgezin verdwijnt uit ons belastingsysteem en sociaal zekerheidsstelsel. De FNV heeft een plan gelanceerd dat voorstellen bevat die ook het rapport van de WRR doet. Er is een opmerkelijk verschil: het FNV-plan zal de gemeenschap vijf miljard gulden gaan kosten. Dat komt vooral doordat er voor ieder die zich voor werk aanmeldt een algemene werkloosheidsuitkering moet gaan gelden die dicht in de buurt komt van een gegarandeerd basisinkomen. Hier gaat inkomen dus wel boven werk.