Turkije sluit Iraakse vluchtelingen op achter zwaar bewaakte muren

TATVAN, 22 jan. - Volledig afgesloten van de buitenwereld zitten 179 Irakezen en twee Iraanse vluchtelingen in Turkije te wachten op de loop der dingen. Ze mogen geen voet buiten de deur van het opvangcentrum zetten. Ze mogen niet telefoneren en geen brieven versturen.

Tatvan, een stadje aan het Van-meer, het grootste van Turkije, gaat schuil onder een dik sneeuwdek. De grauwe hemel zorgt voortdurend voor aanvulling. Op ruim tien kilometer buiten de stad werd in 1989 een centrum gebouwd voor de opvang van vluchtelingen: zeven verdiepingen standaardbouw. Het had ook een school, een gevangenis of een kazerne kunnen zijn. Er staat een muur omheen en op de muur staat een hek. Binnen de muur staat op elke hoek van het gebouw een zwaar bewapende geindarme. Een van hen draagt de twee patroon-banden kruislings over de schouders. Zijn anderhalve meter lange, automatische geweer prikt demonstratief in de lucht. Zonder permissie haalt niemand het hek.

In dit centrum zitten mensen die na het uitbreken van de Golfcrisis maar voor het uitbreken van de oorlog zijn gevlucht. “Ik denk dat mijn familie dood is”, vertelt een 32-jarige ingenieur elektrotechniek. “Wij zijn christenen en in Irak weten ze niet wat dat is. Je kunt het niet uitleggen.” Er zitten naar zijn zeggen twintig Iraakse christenen in het centrum. Over de behandeling daar is hij tevreden: een comfortabel bed en goed eten. Maar hij wil graag weg, bij voorkeur naar Zwitserland waar zijn neef woont. Of de Turkse autoriteiten hem enige hulp zullen verlenen dat doel te bereiken weet hij niet.

Om in Turkije te komen heeft hij vier dagen gelopen door de bergen, vertelt hij. De bevolking van de grensstreek wees hem de weg tegen betaling van 14.000 dinar. Ook aan de Turkse kant van de grens was men bereidwillig: voor duizend dollar brachten ze hem met de auto naar Semdinli, een stadje in het uiterste zuidoosten van Turkije. Via de militaire autoriteiten die dit grensgebied controleren, belandde hij naar eigen zeggen in het opvangcentrum Hakkari, 25 kilometer van de grens. Na twee maanden werd hij overgebracht naar het nieuwe centrum in Tatvan.

Dit gebouw werd in 1989 speciaal voor de opvang van vluchtelingen gebouwd, licht gouverneur Aydin Guclu Bitlis toe. Nu is er plaavoor tweehonderd vluchtelingen, zegt hij, maar als het nodig is kunnen er ook vijfhonderd worden geplaatst. Hij wil ze best plaatsen maar of het werkelijk gebeurt hangt af van een besluit van de regering.

Gezinnen hebben in het centrum elk een eigen slaapkamer. Wiskundeleraar Taha Mohammed Morad (47) vluchtte met vrouw en vier zonen uit Kalkuk bij Bagdad: “Ik heb alles verloren, ik heb niets meer. Kan UNESCO mij niet helpen?” Hij wil graag naar Canada. Ook hij is tegen betaling van 15.000 dinar naar de grens gebracht via bergpaadjes, vertelt hij. Aan de Turkse kant verbleef hij met zijn gezin 58 dagen in een Koerdisch dorp. Ze zijn zelf Koerdisch en konden het goed met de bevolking vinden. Maar de vreemde man viel de plaatselijk politie op en deze nam hem mee naar het eerstelijns-opvangcentrum in Hakkari, vlak bij het drielandenpunt van Turkije, Irak en Iran. “Ik had geen keus. We hebben daar een maand gezeten. Sinds een week zijn we hier.”

Het is opvallend dat zeker de helft van de 181 vluchtelingen Engels spreekt. In gesprekken blijkt dat velen van hen een universitaire opleiding achter de rug hebben. Maar ja, ze zijn Koerd of christen of allebei of Turk, wat geen van alle een aanbeveling is in Irak.

Onder de 181 vluchtelingen bevinden zich volgens de gouverneur 121 deserteurs. Dat verklaart voor een aanzienlijk deel het zeer grote aandeel van mannen tussen de 20 en 35 jaar. Een van hen, 25 jaar oud, zegt “Ik kwam in de nacht, verborg me onder auto's. Ik was als soldaat gelegerd in Bagdad. Ik realiseerde me dat vluchten als militair nog gevaarlijker is dan als burger, maar ik waagde het erop.” Hij kwam in november naar Turkije, vertelt hij, nadat hij twee dagen door de bergen was gelopen.

De vluchtelingen in Tatvan vormen in meer dan een opzicht een elite: ze zijn veelal hoog opgeleid, spreken vreemde talen en hadden geld om gidsen te betalen die hen over over de bergen leidden. Aan de Iraakse kant van de grens staan volgens hem nog duizenden vluchtelingen. Maar die kunnen zich geen gids veroorloven. De officiele grensovergang tussen Irak en Turkije zit potdicht.

Een 29-jarige arts uit Arbir prijst de goede zorgen die de Turken hun verlenen. Maar, zegt hij, “we hebben geen vrijheid en daarvoor zijn we juist gevlucht.” Hoewel hij Koerd is gaf hij op te behoren tot de Turkse minderheid in Irak omdat hij van Koerden in Turkije had gehoord dat hij dan beter behandeld zou worden. “Het maakt niets uit”, zegt hij nu “ze maken hier geen verschil tussen Turken en Koerden.” Hij heeft zijn moeder, vader, broers en zuster achtergelaten in Irak. “Ik zou willen dat ze wisten waar ik ben” zegt hij, “maar we kunnen geen brieven sturen, niet telefoneren.”

Gouverneur Guclu antwoordt desgevraagd dat ze nog niet mogen bellen omdat er nog geen telefooncel is geinstalleerd in het centrum. Op zijn indrukwekkende houten bureau prijkt echter een modern toetsentoestel: “Er is wel telefoon, maar die is voor de staf.” Vele vluchtelingen klagen ook dat ze niet naar buiten mogen. De gouverneur zegt dat ze wel binnen de muur mogen rondlopen maar niet daarbuiten. Als een fotograaf voorstelt enkele foto's in de sneeuw te maken, weigert iedereen: “dan schieten ze”. Ze mogen niet buiten de muur omdat ze geen geldige identiteitspapieren hebben, verklaart de gouverneur. Hoe lang duur het eer ze die krijgen?

”Vier a vijf maanden” schat Guclu. Tegen de tijd dat ze naar buiten mogen zingt de nachtegaal”. De verhalen van de vluchtelingen over de voedselsituatie in Irak komen allemaal op hetzelfde neer: er is te weinig, in de steden nog minder dan in de dorpen. Voor de meeste levensmiddelen is een distributiesysteem ingevoerd, vertelt de dokter uit Arbir. Men krijgt bonnen voor een kilo rijst per persoon per maand, voor twee ons suiker per persoon per maand. Dat is niet genoeg. Dus tiert de zwarte markt welig. Kostte een baal rijst van vijftig kilo een half jaar geleden nog tien dinar, nu kost die er honderd, aldus de dokter. Aan rijst, suiker en thee is een groot gebrek, meent hij. Vlees daarentegen is nog in behoorlijke mate voorhanden: “Een zwarte markt is normaal in Irak, maar de prijzen zijn de laatste maanden vertienvoudigd. Alleen de rijken kunnen dat betalen, de Arabieren dus vooral.”

Tatvan is het enige opvangcentrum van deze aard in Turkije. De gouverneur is er dan ook zichtbaar trots op. Anderhalf miljoen Turkse ponden (duizend gulden) per dag kost het om het centrum te laten draaien, verklaart hij. “En daarbij wordt geen hulp verleend door andere landen.”

En de vluchtelingen, die willen weg naar Duitsland, Frankrijk, Engeland, Nederland, Zwitserland, Canada, de Verenigde Staten of Italie. Niemand wil terug naar Irak. Ook niet als Saddam Hussein het loodje legt. Hun hoop is vervlogen. Ook in een Saddam-loos Irak zien zij geen kansen meer om als hoog opgeleide Koerd, Turk of christen een bestaan vol zelfrespect op te bouwen. Tatvan is nog niet ver genoeg naar het Westen.