Het wachten is op opstand in Irak

Een oude wijsheid wil dat generaals altijd proberen de vorige oorlog te voeren. De beelden van de precisiebombardementen op Bagdad, die het Amerikaanse station CNN uitzond, wekken de verwachting dat het dit keer niet zo is. In zoverre een oorlog 'schoon' kan zijn, lijkt de oorlog tegen Irak tot nu toe 'schoon' gebleven. De Iraakse burgerbevolking schijnt te worden gespaard.

Anders had de Iraakse televisie zeker slachtoffers getoond, want in Bagdad weet men heel goed dat beelden van dode baby's in de armen van wenende moeders invloed hebben op het Westerse gemoed. Uiteraard ook op het Arabische, maar Saddams Arabische vijanden zullen wel uitkijken ze op hun streng door de staat gecontroleerde televisiekanalen te laten zien. Beelden van gebombardeerde militaire installaties laten oorlogvoerenden liever niet aan de eigen burgers zien. Die zijn, in tegenstelling tot dode baby's, slecht voor het eigen moreel.

In ieder geval hebben de generaals een nieuwe manier van oorlogvoeren geintroduceerd. Het is te hopen dat de politici de generaals volgen en nieuwe politieke oplossingen voor het Midden-Oosten aandragen. Zij moeten dan niet in vroegere fouten vervallen, zoals generaals die vorige oorlogen willen winnen. Een van die historische fouten was de opdeling van het Midden-Oosten na de Eerste Wereldoorlog. De Fransen claimden Syrie en Libanon, wegens hun historische banden met de Libanese en Syrische christenen. De Britten wilden de olie van Mesopotamie. Al ver voor de Eerste Wereldoorlog was de Britse vloot, stut en steun van het Brits imperium, van kolen op olie overgegaan. De Britten wilden ook Palestina om de oostelijke flank van het Suezkanaal te kunnen beveiligen, de 'slagader' van hun imperium.

Arabische kinderen leren van jongs af aan dat de Frans-Britse verdeling na de Eerste Wereldoorlog van het Midden-Oosten de bron is van alle kwaad in het gebied. Dat is zeker niet zo. De islamitische politieke cultuur in de regio, of beter gezegd het gebrek daaraan, is een veel grotere bron van ellende. De islam pretendeert antwoord te geven op alle religieuze en maatschappelijke vragen. Dat antwoord ligt per definitie vervat in de shari'a, het islamitische plichtenrecht, dat als Gods eigen wet geldt. Niet de mens, maar God is soeverein en hij uit zijn soevereiniteit in de onwrikbare regels die de Shari'a stelt. Het gevolg van die opvatting is dat de islamitische cultuur nooit een een goede filosofie heeft ontwikkeld over de staat. De ideale islamitische staat is eigenlijk een replica van Plato's staat. Wijze mannen interpreteren de goddelijke wetten en voeren die uit. De islamitische republiek, die ayatollah Khomeiny en de zijnen in Iran stichtten werkt zo, in theorie althans.

In de islamitische praktijk is de staatsmacht al heel snel toegevallen aan het leger. Anderhalve eeuw na de dood van de profeet Mohammed bouwde de kalif van Bagdad een nieuwe hoofdstad in Sammarra. Hij bevolkte die stad met slaven, gekocht of krijgsgevangen gemaakt onder de Turkse stammen, die vanuit Centraal-Azie langzaam naar het westen trokken. Die slaven werden bekeerd tot de islam, in het leger ingelijfd en klommen op, tot zijzelf slaven konden kopen: het Mamelukkenstelsel. Al vrij snel trokken de Mamelukse emirs, legeraanvoerders, de staatsmacht aan zich en degradeerden de kalif tot een figurant. Later namen de Turkse sultans in Constantinopel dit systeem over in de vorm van de Janissaren. Meer dan duizend jaar lang is het Midden-Oosten door dit soort slavenlegers geregeerd. Wortels in de maatschappij waar zij de macht uitoefenden, hadden de Mamelukken en Janissaren niet. Als zij trouwden, konden hun kinderen geen deel uitmaken van de slavenkeurkorpsen. Elke generatie Mamelukken of Janissaren werd opnieuw gekocht op de slavenmarkten in de Kaukasus of de Balkan.

Het gevolg is dat die landen in het Midden-Oosten nooit gewortelde politieke elites hebben gekend. Zeker, er zijn beroemde handelsfamilies of oude geslachten van schriftgeleerden. Soms vormden zij een buffer tussen de bevolking en de machthebbers. Maar in de werkelijke staatsmacht hebben zij nooit gedeeld. Tussen staat en maatschappij bestaat in het Midden-Oosten een duizend jaar diepe kloof, die nog lang niet is overbrugd.

Het Midden-Oosten heeft dus nooit een verlichte landadel gehad zoals Engeland, of een liberaal koopmanspatriciaat zoals Nederland, waarvan de leden de politieke elite vormden en door de eeuwen heen de instellingen opbouwden die wij nu koesteren als onze democratie.

Het Midden-Oosten kent geen burgers die deel hebben aan de staatsmacht en geen instellingen waarin die staatsmacht is geformaliseerd. Het Midden-Oosten kent heersers en onderdanen, terwijl de staatsmacht bijna vanaf het begin van de islam af in handen is van de sterksten. Pas in het begin van de negentiende eeuw maakte de Turkse onderkoning Mohammed Ali een einde aan de Mamelukken-heerschappij in Egypte, terwijl een aantal jaren later de sultan de Constantinopel de macht van de Janissaren wist te breken. Verbetering bracht dat niet. Mohammed Ali maakte op brute wijze Egypte tot zijn privedomein, terwijl zijn opvolgers het land naar het bankroet dreven. De Turkse sultans schoeiden hun legers op moderne Europese leest, tot de met de nationalistische bacil besmette Turkse officieren de macht grepen en het rijk probeerden te turkificeren.

Uit de combinatie van een duizendjarige geschiedenis van Mameluks wanbeheer en Frans-Britse verdeelzucht zijn de moderne staten Irak en Syrie geboren, de twee bloedigste regimes van het Midden-Oosten.

Wat moet er nu na de oorlog gebeuren? Het zou een enorme fout zijn opnieuw een Westers dictaat aan de regio op te leggen, zoals na de Eerste Wereldoorlog gebeurde. Er zijn waarschijnlijk weinig dingen waar Arabieren zich zo over kunnen opwinden als juist daarover. Saddam Hussein weet daar goed op in te spelen. In Iraks propaganda komt de Brits-Franse verdeling van het Midden-Oosten onophoudelijk aan de orde, omdat het de bron van het Palestijnse probleem zou zijn.

Deling van Irak? De Turkse president Ozal gooide er al een balletje over op en heeft bij voorbaat de provincie Mosul en het Iraakse oorlogsgebied rond Kirkuk geclaimd. Veel bewoners van Kirkuk hebben Turks als moedertaal. De bewoners van Mosul, voor het merendeel Koerden, wilden na de Eerste Wereldoorlog liever bij Turkije blijven. De Turken konden zich er slechts morrend mee verzoenen dat Mosul bij de nieuwe staat Irak werd gevoegd.

De Koerden van Noord-Irak willen zelfstandig op pad, maar dat wil Turkije, met zijn eigen Koerdische problemen, absoluut voorkomen. Het bevrijde Koeweit zal, na een ontmanteling van Irak, ongetwijfeld schadeloosstelling vragen in de vorm van de Zuidiraakse olievelden. Daar wonen vooral shi'ieten, terwijl de Koeweitse regerende familie fanatiek sunniet is. Saoedi-Arabie, dat zijn grondgebied beschikbaar stelt voor de oorlog tegen Saddam, zou er waarschijnlijk wel voor voelen zijn noordoostelijke grenzen wat meer naar de Eufraat op te schuiven. De Syrische president Assad is erop uit zijn eigen vleugel van de Ba'ath-partij in Bagdad aan de macht te brengen om Irak met Syrie te verbinden. Een dergelijke machtige buur willen de Israeliers nooit. En dan zijn er nog de Iraniers, die acht jaar lang bloedig tegen Irak vochten. Zij zullen niet lijdzaam toezien hoe Irak wordt opgedeeld, terwijl zij met lege handen blijven staan.

Voor het machtsevenwicht in het Midden-Oosten is een voortbestaan van Irak noodzakelijk, omdat anders de aasgieren met elkaar op de vuist gaan. Dat wordt in Washington ook wel ingezien. President Bush verzekert iedere keer plechtig dat de oorlog zich niet richt tegen de Iraakse bevolking of tegen de staat Irak, maar tegen president Saddam Hussein. Het gaat zegt Bush, om de bevrijding van Koeweit en niet om de ontmanteling van Irak.

De hoop is dus gevestigd op een machtswisseling in Bagdad zelf. De enige mogelijkheid daartoe zou een opstand zijn van generaals. Dan moet Irak wel eerst verslagen zijn. Generaals hebben doorgaans niet de neiging tegen hun leiding in opstand te komen, terwijl een oorlog nog in volle gang is. Dat levert hen het etiket 'verrader' op, een slechte basis om politieke carriere te maken.