Een nodige illusie?

Tot de slachtoffers van de Golfoorlog behoort de illusie dat de Europese Gemeenschap ooit tot een gemeenschappelijke buitenlandse politiek zal komen. En die illusie was al uiteengespat voordat vorige week het eerste schot gelost was.

De schok door dit sterfgeval teweeggebracht, zou des te sterker moeten zijn omdat, volgens de theorie, het bestaan van een gemeenschappelijke tegenstander een machtige prikkel tot eenheid is. Welnu, in Saddam Hussein hadden de leden van de Europese gemeenschap een gemeenschappelijke tegenstander. En wat doen ze? Ieder reageert op zijn eigen wijze.

Engeland werpt zich met huid en haar - althans zonder mitsen en maren - in de strijd. Frankrijk doet meer voorwaardelijk mee en verrast zijn Europese partners, met wie het zogenaamd een gemeenschappelijke politiek probeert te bereiken, voortdurend met eigen initiatieven. Duitsland tracht zich zoveel mogelijk aan enige betrokkenheid bij de oorlog te onttrekken.

Zelfs tussen de Nederlandse en de Belgische reacties zijn er verschillen, terwijl er, voor het oog van de oppervlakkige beschouwer, toch zoveel overeenkomsten tussen beide landen zijn. Deze keer is het Nederland dat bereid is meer risico's - overigens nog zeer bescheiden - te nemen, terwijl Belgie zelfs geen munitie aan een van zijn bondgenoten, die in de woestijn troepen heeft staan, durft te leveren.

Nu is het hier niet nodig de reacties van de verschillende landen te beoordelen, de ene goed-, de andere af te keuren. Het is voldoende vast te stellen dat iedere reactie haar verklaring heeft. Geen reactie is zo maar de gril van een humeurig of een heetgebakerd bewindsman. Elk beleid heeft zijn wortels - dus zijn verklaring - in de geschiedenis, de geografie en de economie van de desbetreffende natie - plus, dikwijls, in de coalitie die op het gegeven ogenblik daar aan de macht is.

Zo kan geen Franse president het zich veroorloven de illusie van nationale grandeur te verstoren, en die illusie (waarin hijzelf meestal ook gelooft) maakt een zeker zelfstandig optreden nodig. Bovendien is voor Frankrijk - nog niet zo lang geleden meester van Marokko, Algerije en Tunesie - de Arabische wereld, om zo te zeggen, zijn 'overzijde'. Het heeft trouwens een paar miljoen Arabieren in eigen land wonen.

Duitslands prioriteit ligt elders. Het is, behalve door de nog lang niet voltrokken eenheid van de eigen natie (slechts de Duitse staat is een), vooral gepreoccupeerd door wat er in Oost-Europa gebeurt. Wie zal zeggen dat deze prioriteit, voor Duitsland, verkeerd is? Ook heeft het, in eigen land, te maken met een massalere weerzin tegen militaire actie dan er in enige andere grote mogendheid bestaat. Moeten wij dit afkeuren - nadat wij jarenlang de Duitsers voor onverbeterlijke militaristen hebben uitgemaakt?

In Nederland is die weerzin, te oordelen naar de aantallen protesteerders tegen de Golfoorlog, duidelijk afgenomen, vergeleken met de demonstraties van 1981 en 1983 tegen de kernraketten. Dat kan niet uitsluitend toegeschreven worden aan het feit dat de PvdA nu in de regering zit - en toen niet. Misschien heeft het meer te maken met een algemene ontnuchtering na twee decennia dromen. En dat de militaire actie in de Golf door de Verenigde Naties is gesanctioneerd, betekent in een land dat zich voor laat staan op zijn gehechtheid aan het internationale recht, natuurlijk ook wat.

In Belgie zitten de socialisten eveneens in de regering, maar dit feit lijkt daar het pacifisme - een vrij nieuw verschijnsel in dat land overigens - eerder te hebben versterkt. Heeft Belgie (of Vlaanderen? ) op dit gebied nog wat in te halen? Een andere verklaring van Belgies houding is dat het net in moeilijke onderhandelingen over de vrijlating van gijzelaars verwikkeld was en daarom tegenover de Arabieren de handen gebonden had. (Engeland, dat ook gijzelaars in Arabische handen heeft, heeft dit argument daarentegen niet laten gelden).

Hoe het ook zij: ieder land heeft zijn eigen dwingende redenen voor het beleid dat het voert. Compromissen, op dit gebied, tussen de niet minder dan twaalf landen van de Europese Gemeenschap zijn slechts tot op geringe hoogte mogelijk en betreffen dan meestal marginale zaken, die in elk geval zelden de veiligheidsbelangen (of wat iedere natie daarvoor houdt) raken.

Maar ook indien compromissen op andere dan marginale zaken mogelijk zouden zijn, dan nog zouden ze eindeloos veel palaver en tijd vergen, wat in elk geval een slagvaardig buitenlands beleid onmogelijk zou maken - om niet te spreken van de ruggespraak die telkens nodig zou zijn wanneer een met veel moeite bereikt gemeenschappelijk Europees standpunt onderwerp van onderhandeling - dus van geven en nemen - met anderen zou zijn.

Met andere woorden: een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid is onhaalbaar - niet omdat de betrokken politici het niet willen (het gaat dus niet aan hen van onoprechtheid te betichten), maar omdat zij, gebonden als zij zijn aan de eigen natie (en, zo niet, dan toch aan het eigen nationale electoraat), het niet kunnen.

Dit sluit natuurlijk intensief en geregeld, zelfs geinstitutionaliseerd, overleg tussen bewindslieden en ambtenaren niet uit. Integendeel, dat moet blijven. Het is de winst van de naoorlogse jaren. Maar misschien is die winst alleen mogelijk geweest omdat het geschiedde in het perspectief van een gemeenschappelijk beleid. Als dat het geval is, dan is er wat voor te zeggen de illusie te handhaven dat zo'n beleid mogelijk is.