De dreiging van de omgekeerde oliecrisis

Irak heeft vandaag een begin gemaakt met de vernietiging van olie-installaties in Koeweit. De oliemarkt reageerde prompt, maar de prijsstijging bleef vanochtend nog beperkt. De wereld heeft genoeg olie: een prijzencrisis ligt meer voor de hand dan een energiecrisis. Den Haag heeft het er maar moeilijk mee.

Minister dr. J. E. Andriessen van economische zaken heeft het moeilijk. Na de eerste geallieerde bombardementen op Irak kelderde de prijs van een vat olie met ruim tien dollar tot onder de twintig dollar-grens. Het geweld leidde niet tot een prijsexplosie maar tot een prijzencrisis. Benzine is inmiddels veertien cent goedkoper. Het scenario van de minister was niet op deze ontwikkeling berekend.

De industrielanden, verenigd in het Internationale Energie Agentschap (IEA) dat fungeert als tegenpool van de Organisatie van olie exporterende landen (Opec), hadden op vrijdag 11 januari hun zaakjes prima voor elkaar. Ze spraken af onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog het aanbod van olie te vergroten door dagelijks 2, 5 miljoen vaten - vijf procent van het mondiale verbruik (exclusief de centraal geleide landen) - te verkopen uit de strategische voorraden die op last van de regeringen worden aangehouden. De commerciele en strategische voorraden zijn ruim (goed voor 96 dagen verbruik), dus die verkoop vormt geen enkel probleem. Daarnaast zou het publiek worden gevraagd zuiniger te zijn met energie. Op die manier moest de dreiging van olieschaarste worden afgewend.

Het pakte met die schaarste heel anders uit, maar afspraak is afspraak. Dus wilde Andriessen in een klap 660.000 vaten olie (1, 3 dagen Nederlands verbruik) verkopen. De totale Nederlandse voorraden zijn goed voor 160 dagen. Vandaag moest de minister dit voornemen echter snel weer inslikken; de olieprijs is immers fors gezakt, hoewel door de jongste ontwikkelingen in Koeweit de prijs weer is aangetrokken. De Governing Board van het IEA overlegt maandag wat er nu verder moet gebeuren.

Ook het plan voor een uitgebreide publciteitscampagne, die het publiek moest overhalen zuiniger om te gaan met energie, is weer snel in de bureaula opgeborgen. Het effect van zo'n campagne bij de huidige fors dalende prijzen laat zich immers raden.

De IEA-aanpak was gebaseerd op het verleden. Na de Yom Kippur-oorlog van oktober 1973 (Israel contra Egypte en Syrie) steeg de olieprijs van twee naar tien dollar per vat. Toen Irak, na de val van de Sjah in januari 1979, Iran binnenviel, explodeerde de prijs tot bijna veertig dollar. Maar na de Iraakse inval in Koeweit op 2 augustus 1990 bleef een derde oliecrisis uit.

Nu dreigt veeleer een omgekeerde oliecrisis. Voor de economie mag een lage olieprijs dan florissant zijn, voor het energiebeleid is zij desastreus. Toen de olieprijzen in de tweede helft van de jaren tachtig halveerden (van ruim dertig tot vijftien a twintig dollar per vat) ging het olieverbruik in Nederland, dat tussen 1979 en 1985 nog met 37 procent was gedaald, weer fors omhoog. Tussen 1985 en 1990 werd een stijging van zeventien procent gerealiseerd. Het olieverbruik steeg zelfs sneller dan de economische activiteit (bruto nationaal produkt), een ontwikkeling die door niemand was verwacht.

Na de inval van Irak in Koeweit steeg de prijs van ruwe olie weliswaar tot ruim veertig dollar in oktober, maar dat was vooral het werk van speculanten. De termijnmarkten in New York en Londen speelden daarbij een belangrijke rol; de Rotterdamse spotmarkt (oliecontracten voor onmiddellijke levering) is het afgelopen decennium naar de tweede plaats verdrongen. De olieprijs kwam op een niveau dat veel hoger was dan de echte schaarste - de verhouding tussen vraag en aanbod - rechtvaardigde, ook toen de prijs na oktober weer terugzakte tot circa dertig dollar rond de jaarwisseling.

De eerste helft van 1990 produceerden Irak en Koeweit nog circa vijf miljard vaten olie per dag, bijna een kwart van de Opec-produktie en circa eentiende van het mondiale olieverbruik (exclusief centraal geleide landen). In augustus viel die produktie terug tot een half miljard vaten per dag (grotendeels voor binnenlands verbruik). Het wereldaanbod van olie leed daaronder echter niet. Integendeel: nadat de VS de veiligheid van Saoedi-Arabie hadden gegarandeerd, verhoogde Riad de produktie fors, van 5, 5 miljoen vaten per dag in de eerste helft van 1990 tot 8, 3 miljoen vaten per dag in december. Andere Opec-landen volgden, en dat resulteerde in een stijging van de Opec-produktie van 21, 34 miljoen vaten per dag over heel 1989 tot 23, 15 miljoen vaten in 1990.

Wellicht is de huidige prijs van circa 20 dollar wel een redelijke indicator van de beschikbaarheid van olie op dit moment. Maar de kans dat ook in deze prijs nog altijd een 'oorlogspremie' is verdisconteerd, mag niet worden uitgesloten. Sir Peter Holmes, de Britse topman van Shell, zei vrijdagavond dat hij na de oorlog een prijs van vijftien a zestien dollar voor een vat Noordzee-olie ('Brent') verwacht, en het afgelopen weekeinde sloot de voormalige olieminister van Saoedi-Arabie Yamani voor de naaste toekomst zelfs een prijs van twaalf dollar niet uit.

Pag. 16: .

Club van Rome kreeg ongelijk, maar hoe lang nog .

Zoals vanouds hebben de Saoediers de sleutel voor de toekomst in handen. Toen de media gisteren berichtten dat Saoedi-Arabie de produktie van een groot olieveld in de buurt van de grens van Koeweit zou hebben stilgelegd, reageerde de markt onmiddellijk met een lichte prijsstijging.

De reactie van de Nederlandse overheid op de olieprijsdaling van na 1985 was averechts. Het besparen op energie - door de lagere energieprijzen toch al impopulair geworden - werd niet langer gestimuleerd. Tal van subsidies, die eind jaren zeventig waren ingevoerd en de zuinigheid hadden bevorderd, sneuvelden door de bezuinigingsdrift van de rijksoverheid. De infrastructuur die in het verleden - gestimuleerd door het Nationaal Isolatie Programma - was opgebouwd, legde goeddeels het loodje.

Lang duurde deze omslag echter niet. In 1990 tuigt Den Haag het subsidiecircuit weer op. Het energiebeleid is plotseling weer 'in', maar nu is niet de economie maar het milieu het voornaamste motief. Het broeikaseffect en de verzuring dwingen tot een reductie van het verbruik van fossiele brandstoffen, waaronder olie. In mei 1989 leidt de bezorgdheid over het milieu in Den Haag zelfs tot een kabinetscrisis en de val van het tweede kabinet-Lubbers. Een jaar later komt het derde kabinet-Lubbers met een Nota Energiebesparing, tegelijk met een aangepast Nationaal Milieubeleidsplan (NMP-Plus).

Het budget voor energiesubsidies gaat weer omhoog, van minder dan 300 naar 650 miljoen gulden. Nutsbedrijven en lagere overheden moeten eveneens een steentje bijdragen, opdat alles bij elkaar 900 miljoen tot een miljard gulden beschikbaar komt. Met dat bedrag zou volgens Den Haag jaarlijks drie miljard gulden aan energiebesparende investeringen kunnen worden uitgelokt. Het Centraal Planbureau is voorzichtiger en houdt het op ruim twee miljard gulden.

Bij dalende energieprijzen zijn heffingen natuurlijk een logisch alternatief voor subsidies. Een 'regulerende heffing' op het olieverbruik is een marktconform instrument om dat verbruik af te remmen. “Energie is een schaars goed, het is dom om dat te subsidieren”, zegt de Rotterdamse econoom prof. Wolfson, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Hij is sinds vorige week voorzitter van een Stuurgroep regulerende energie-heffingen, die is ingesteld door minister Andriessen. De Stuurgroep heeft enkele tientallen brieven naar universiteiten en onderzoeksinstituten gestuurd. Daarin vraagt zij offertes voor onderzoek om het effect van energie-heffingen na te gaan. Want in de Nota Energiebesparing toont Andriessen zich uiterst onzeker over de effecten van heffingen op het energieverbruik en de economie. Is over het effect van subsidies dan zoveel meer bekend?

Wolfson: “Over subsidies weten we ook niet zoveel”. Maar subsidies zijn politiek nu eenmaal gemakkelijker te verkopen dan heffingen. Ook als de economische logica voor die keuze, zeker bij de huidige omgekeerde oliecrisis, ver is te zoeken. Wolfsons keuze voor een heffing op brandstoffen wordt gedeeld door de Europese Commissie. Deze wil daarmee twee vliegen in een klap slaan: het totaal energieverbruik omlaag brengen en de vervuiling terugbrengen door op olie en kolen een hogere toeslag te heffen dan op gas en op kernenergie. Ook de Sociaal Economische Raad vindt dat heffingen serieus moeten worden overwogen.

Het CPB noemt de doelstelling van de Nota Energiebesparing, gelet op de prijsontwikkeling van energie, “ambitieus”. Die doelstelling houdt in dat de efficiency van het energieverbruik - dat tussen 1980 en 1985 met bijna 2, 5 procent per jaar was gestegen maar daarna met nog slechts 0, 5 a 1, 0 procent toenam - opnieuw gaat groeien met jaarlijks ruim twee procent. Dezelfde activiteiten zouden dus met jaarlijks ruim twee procent minder energie mogelijk moeten zijn.

Het nieuwe energieplan (strengere voorschriften voor centrale verwarmingsketels en voor isolatie van nieuwbouwwoningen) behelst onder meer 120 miljoen gulden voor subsidies aan de industrie, 110 miljoen voor de isolatie van woningen, 93 miljoen voor de inzet van alternatieve energiebronnen zoals zon, wind en waterkracht, 85 miljoen voor meer warmte-kracht-koppeling bij de electriciteitsproduktie en in huishoudens, ruim 30 miljoen extra voor isolatie van te renoveren woningen, eveneens 30 miljoen voor een zuiniger energieverbruik in bestaande utiliteitsgebouwen (de overheid gaf in haar gebouwen tot dusver niet bepaald het voorbeeld), enzovoorts.

Oude en nieuwe maatregelen overlappen elkaar soms. Een woordvoerder van Economische Zaken spreekt desgevraagd zelfs van “weinig nieuw beleid”, enkele uitzonderingen daargelaten zoals de isolatieregeling die al in mei startte.

Voor een beoordeling van het effect van het nieuwe beleid is het nog te vroeg. Volgens Economische Zaken is de vraag naar sommige subsidies echter aanzienlijk. Zo hebben de energiebedrijven al twee keer zoveel steun gevraagd voor warmtekrachtkoppeling (benutten van warmte die vrijkomt bij elektriciteitsopwekking) als het rijksbudget toelaat. Ook de vraag naar een subsidie voor dubbel glas is fors toegenomen, nu daarvoor sinds 1 januari niet langer een hoog rendement-cv-ketel vereist is.

Voorlichter Van den Brink van de VEGIN (gasdistributie-bedrijven) constateert dat particulieren een “goed gebruik” maken van de nieuwe subsidies voor cv-ketels met een hoog rendement (subsidie: 350 gulden per stuk) en voor ketels met een lage uitstoot van stikstofdioxide (NOX) (subsidie: 200 gulden). Voorlichter Visser van het Gemeentelijk Energiebedrijf in Rotterdam stelt zelfs vast dat deze subsidies de afgelopen maanden “lopen als een trein”. “Ook de isolatie loopt goed, “ zegt zij. Het GEB begint in februari met een grote publiciteitscampagne.

Ongetwijfeld is de populariteit van de cv-subsidies mede te danken aan de recente verhoging van de gasprijs voor kleinverbruikers. Per 1 januari ging die prijs omhoog met 3, 5 cent tot circa 54 cent per kubieke meter. Minister Andriessen zei begin november in de Tweede Kamer dat van die drieenhalve cent een halve cent 'milieutoeslag' is. Nog eens een halve cent bestaat uit een 'kooldioxide-heffing'. De belangrijkste reden van de prijsverhoging - tweeenhalve cent - schuilt in de stijging van de olieprijzen veroorzaakt door de Koeweit-crisis, zegt de minister.

De gasprijs wordt elk halfjaar vastgesteld. De kleinverbruikersprijs is gekoppeld aan de olieprijs, en dus, als het huidige fors lagere olieprijspeil blijft gehandhaafd, wordt gas per 1 juli weer goedkoper. Niet alleen tot ongenoegen van de energie-ambtenaren op EZ, maar ook van de leveranciers van high tech energiebesparingsinstallaties en van de steeds invloedrijker wordende milieubeweging.

Olie is en blijft van vitaal belang voor de wereldeconomie. Ook al is het aandeel van gas, steenkool en uranium sinds 1973 gestegen, nog altijd is olie de brandstof voor veertig procent van het mondiale energieverbruik. Wel staat vast dat de fysieke schaarste aan olie de afgelopen twintig jaar niet is toegenomen: de verhouding tussen bewezen reserves en olieproduktie bleef constant. Twee olieprijsexplosies droegen daaraan hun steentje bij. De hogere prijzen remden de groei van het olieverbruik af en stimuleerden de speurtocht naar nieuwe reserves.

De Club van Rome, die in 1972 voorspelde dat het uitputten van schaarse grondstoffen zou leiden tot fors hogere prijzen die een eind zouden maken aan de produktiegroei, kreeg ongelijk. Maar voor hoe lang? Centraal Planbureau-econoom drs. H. J. B. M. Mannaerts berekende in december 1990 dat de wereldwijde oliereserves, in 1985 nog goed voor 32 jaar verbruik, in het jaar 2015 nog altijd voldoende voor zeventien jaar zouden zijn. Maar dan zou volgens Mannaerts' modelprojecties de reele olieprijs (de olieprijs gecorrigeerd voor de inflatie in de VS) wel jaarlijks met twee tot drie procent moeten stijgen. In werkelijkheid doet zo'n stijging zich in het geheel niet voor: de reele olieprijs ligt nu weer ruim een kwart beneden het niveau van halverwege de jaren zeventig. Het gevaar van een te snelle uitputting is dus nog steeds levensgroot aanwezig.