Bataks

Joost Vermeulen schrijft in het artikel 'Het terra incognita der Bataks opengelegd' (NRC Handelsblad, 3 januari): “Opvallend is wel dat er (op de tentoonstelling Batak Indonesie; Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden) geen voorwerpen te zien zijn, die direct geassocieerd kunnen worden met het kannibalisme van de Bataks.”

Dat is helemaal niet opvallend, om de simpele reden dat dergelijke voorwerpen niet bestaan. Het kannibalisme, als dat althans hier zo genoemd mag worden, had inderdaad een rituele functie: het was (enkel en alleen) een vorm van rechtspleging, meer precies een onderdeel van de uitvoering van de doodstraf. De te executeren persoon werd aan een paal gebonden, en hoe zwaarder de overtreding, hoe meer lichaamsdelen door de aanwezigen werden geconsumeerd. In het lichtste geval werden de wangen en-of de lippen van de veroordeelde afgesneden, bij het leven wel te verstaan, en direkt gegeten (rauw dus, en met citroensap besprenkeld); daarna werd de veroordeelde gedood. Bij zwaardere gevallen werden ook de muizen van de handen en enkele spieren uit de arm gegeten. In de zwaarste gevallen (incest) werd doorgegeten tot dat de veroordeelde was gestorven.

Tot slot: in het gedeelte over de openlegging van het Batak-gebied is de persoon die daarin de belangrijkste rol heeft gespeeld, de Nederlandse taalkundige Herman Neubronner van der Tuuk, niet genoemd (zie NRC Handelslad 27 april 1990, W. F. Hermans: 'Verzoend met het kantoor').