'Ambtelijk stuk' over vernieuwing politiek; CDA-wetenschapper kritiseert rapport commissie-Deetman

DEN HAAG, 22 jan. - Een verlegenheidsoplossing. Een “ambtelijk stuk” met suggesties die op gespannen voet met elkaar staan. De commissie-Deetman, waarin alle politieke leiders uit de Tweede Kamer de mogelijkheden van staatsrechtelijke vernieuwing onderzochten, hebben het kennelijk “niet kunnen opbrengen” om ook een standpunt in te nemen.

Volgens de Leidse hoogleraar en prominent CDA-lid prof. mr. H. Franken is de commissie tot niet meer dan een goede agenda gekomen, een inventarisatie “van ideeen die vaak afkomstig zijn uit eerder terzijde gelegde nota's”. De commissie heeft de kans laten liggen om het debat in de Kamer met politieke argumenten richting te geven. Franken schreef zijn commentaar op verzoek van de Staatsrechtkring, onder het motto 'Eens klikte de lade... '. Hij is verbonden aan het wetenschappelijk instituut van het CDA en co-auteur van 'Publieke Gerechtigheid', een recent rapport over de ideologie van de christen-democratie.

Inhoudelijk oefent Franken vooral kritiek uit op de manier waarop de fractievoorzitters het debat uit de weg gaan over de omvang van de taak van de overheid. De commissie suggereert overheidsdiensten te verzelfstandigen of te decentraliseren. Ook wordt de mogelijkheid van een 'civil service' geopperd, evenals een versterking van de positie van coordinerende bewindslieden. Maar de principiele vraag hoeveel werk er nu eigenlijk door de overheid moet worden gedaan, wordt niet beantwoord.

Dat wekt volgens Franken “bevreemding”, juist omdat de onrustbarend lage opkomstcijfers en de geringe politieke participatie van de burger oorzaken zijn. Dat was een van de redenen om de commissie in te stellen. Franken haakt aan bij de journalist H. Smeets, die schreef dat de politiek haar primaat verliest als het politiek debat wordt vervangen door “een gedachtenwisseling van managers over de effectiefste oplossingen van korte-termijn problemen”.

Volgens Franken krijgt de overheid in zo'n klimaat de kans om tomeloos te groeien. In de politiek heerst dan geen besef meer van wat de taken van de overheid moeten zijn en wat niet. “De echte besluiten zullen dan nauwelijks meer door partijen en fracties worden genomen, maar veeleer door de overheidsbureaucratie en in toenemende mate door de rechterlijke colleges”, aldus Franken.

Zo langzamerhand is de politieke macht geconcentreerd in “geprofessionaliseerde ambtelijke staven” of in tijdelijke adviescommissies met externe deskundigen, zoals Dekker, Oort of Stevens. De Kamerfracties kunnen meestal slechts reageren. Hij is het met de commissie eens dat de Kamerleden deze ontwikkeling zelf bevorderen door zich met allerlei moties, amendementen en Kamervragen “buiten de essentialia van het beleid te bewegen. Zij werpen olie op het bureaucratische vuur”.

De politieke partijen zelf hebben ook nauwelijks een visie op de plaats van de overheid. Te vaak hebben zij zich in de jaren tachtig gedragen als kanalen voor de wensen van de burger en die onkritisch vertaald in “aansporingen aan het adres van de overheid”. Partijen zijn de laatste jaren veel meer “verzamelingen concrete standpunten” geworden dan vertegenwoordigers van stromingen. Wellicht is daaraan ook de gebrekkige politieke participatie van de burger te wijten. Volgens Franken moeten de partijen burgers mobiliseren, de interne partijdemocratie verbeteren en de band met de regio's aanhalen. Zo ontstaat een vitale parlementaire democratie en is er een kans om de macht van de bureaucratie te breken.

Franken bepleit een duidelijk onderscheid tussen de wezenlijke taken waartoe de overheid zich dient te beperken en wat kan worden gedaan door de “burgers en hun maatschappelijke verbanden”. Als er meer wordt overgelaten aan de zelfstandige burger “kan de overheid gaan afzien van specifieke detailbeslissingen en van de voortdurende verfijning van regels”. Verzelfstandiging van de bureaucratie is mogelijk bij die onderwerpen waar het zwaartepunt niet bij het beleid ligt, maar bij de uitvoering. Zelfbeheer, delegatie en contractmanagement kunnen daarvoor middelen zijn. Het moet dan wel gaan om specifieke overheidstaken: anders dient het afgestoten te worden, uitbesteed of “vermaatschappelijkt”.