Werkgroep wenst actie tegen Europees 'verkeersinfarct'

DEN HAAG, 21 JAN. Oprichting van een Europees Infrastructuur Fonds is nodig om een crisis in het EG-transport te voorkomen. Het fonds zou gevuld moeten worden door de burgers in de lidstaten op elke liter benzine of diesel een ECU-cent (ongeveer 2, 3 Nederlandse cent) extra te laten betalen. Een soortgelijke heffing moet gelden voor elektriciteit of andere vormen van energie.

Dat schrijft de 'Groep Transport 2000 Plus' in een rapport dat vanmiddag is uitgebracht aan de Belgische EG-commissaris Van Miert. Van Miert gaf deze werkgroep van Europese vervoersdeskundigen, onder voorzitterschap van de voormalige Nederlandse minister van verkeer N. Smit-Kroes en de Italiaanse oud-EG-commissaris E. Pisani, opdracht de transportproblemen in de Gemeenschap te inventariseren en oplossingen aan te dragen.

Volgens de werkgroep dreigt in Europa een 'verkeersinfarct'. Om dat tegen te gaan dient “een werkelijk Europees vervoersbeleid” te worden gevoerd. Het infrastructuurfonds kan daarvoor de basis vormen. De voorgestelde heffing om het fonds jaarlijks met enkele miljarden ECU's te vullen, zou de gemiddelde gebruiker van een personenauto (13.000 kilometer per jaar) dertig gulden kosten. Voor middelzware en zware vrachtauto's komt de extra heffing gemiddeld neer op respectievelijk 400 en 1000 gulden.

Tot de dertig aanbevelingen van de werkgroep behoort ook 'variabilisatie' - verhoging van kosten die van de reis-afstand afhangen - zoals die van brandstof - onder gelijktijdige verlaging van vaste kosten, zoals motorrijtuigenbelasting. Het rapport oppert de variabele kosten gedurende vijftien jaar telkens met tien procent te verhogen.

Een andere maatregel is invoering van 'road-pricing' - betalen voor het gebruik van wegen. Rijden tijdens de spitsuren of op drukke plekken moet duurder worden dan op andere momenten of elders.

Volgens het advies aan Van Miert moeten alle heffingen of accijnzen op en in het vervoer weer aan die sector worden besteed. De werkgroep pleit tegelijk voor een terughoudend subsidiebeleid en opheffing van door overheden opgelegde tarief-restricties. Subsidies zijn volgens haar alleen te rechtvaardigen voor openbaar vervoer over korte afstanden en bevordering van gecombineerd vervoer van personen en goederen (gedeeltelijk per auto en gedeeltelijk per trein of schip).

De Groep Transport 2000 Plus vindt vervoer over het algemeen te goedkoop en meent dat ook externe kosten - zoals die van de infrastructuur - in de prijzen moeten worden doorberekend. Zij pleit ervoor negatieve gevolgen van transport in de eerste plaats weg te nemen door de hoogst mogelijke normen te stellen aan uitlaatgassen, geluid, energieverbruik, veiligheid en ruimtelijke ordening.

De werkgroep onderstreept het belang van een vrije vervoerskeuze. Overigens meent zij dat vooral in de Benelux, het westen van Duitsland, het noorden van Frankrijk en het zuiden van Groot-Brittannie, waar zeventig procent van het goederenvervoer over land gebeurt, het accent op railvervoer moet worden gelegd, met speciale infrastructuur voor het goederentransport.

Snellere besluitvorming in Brussel over vervoersproblemen is een vereiste, aldus de werkgroep. Zij bepleit op dat gebied een actievere rol voor het Europees Parlement. De EG moet standaarden en normen vaststellen op terreinen als milieu, energie, veiligheid, verkeersgeleiding en eerlijke mededinging. De invoering van deze normen moet de EG door fiscale en andere financiele maatregelen stimuleren en met sancties handhaven.

Een lans breekt de werkgroep verder voor de realisatie van Europese transport-assen (waarvoor het Europees Infrastructuur Fonds is te gebruiken), verbetering van de Europese railsystemen (waarvan ook andere ondernemingen dan spoorwegmaatschappijen gebruik moeten kunnen maken), herstel van de kustvaart (vooral met het oog op de ontwikkeling in Oost-Europa) en verdere liberalisering van de luchtvaart.