Virtuoos Berman betovert het publiek

Concert in de serie Meesterpianisten: Lazar Berman, piano. Programma: Skrjabin: Fantasie op. 28 in b.; Rachmaninof: zes Moments musicaux op. 16.; Liszt: bewerking van zes Schubert-liederen en Mephisto wals nr. 1. Gehoord: 20-1 Concertgebouw, Amsterdam. Herhaling: 22-1 Tilburg, 13-2 Utrecht.

Met de stroom jonge Russische musici die voor concerttournees naar het Westen komen, keerde ook een oudere coryfee na meer dan tien jaar terug in Nederland: de zestigjarige pianist Lazar Berman. Hij behoort tot een uitstervend ras van musici, die met hun virtuositeit het publiek weten te betoveren. Een virtuositeit die niet te maken heeft met uiterlijk vertoon, extravagantie of snelheidsrecords, maar veel weg heeft van een ingetogen liefdesverklaring aan het klavier. Berman lijkt er mee vergroeid te zijn. Zodra hij van de piano wegwandelt, mist er iets, maar als hij achter zijn instrument gaat zitten is hij compleet, een grote man die helemaal piano wordt wanneer hij begint te spelen. Aan het slot van zijn recital had de pianist mij geheel overtuigd: de piano is een instrument om van te houden.

Piano en pianist onderhielden een subtiel contact waarbij alle klankmiddelen met elkaar in balans werden gebracht. Wat de pianist inbracht was een helder en zangerig toucher, een uitgekiende regie waarbij nu eens een begeleidingsfiguur en dan weer een melodielijn op de voorgrond traden en een pedaalgebruik dat een waterval van snelle nootjes bond zonder de klank troebel te maken. De piano van zijn kant etaleerde al zijn kleuren en het instrument leek wel een pronkende pauw.

Het was wel duidelijk op deze avond dat een concertvleugel dol is op muziek van de grote klavierleeuwen Listz, Rachmaninof en Skrjabin. De Fantasie op. 28 van Skrjabin waarmee Berman zijn recital begon, klonk wat ongemakkelijk alsof de pianist het instrument nog moest aftasten, maar bij Rachmaninofs Moments musicaux was het evenwicht hersteld. Verfijnd en zonder een spoor van sentimentaliteit klonken deze hyperromantische miniaturen, elke wending werd geproefd en de melodielijnen volgden een eigen curve, onafhankelijk van begeleidingsfiguren en omspelingen.

De tweede helft van het programma was geheel gewijd aan Listz. Zijn Mephisto Wals nr. 1 klonk als een adembenemende improvisatie en de door Listz bewerkte Schubertliederen werden zo zangerig gespeeld dat men noch de zangstem noch de tekst miste. Het meest verbazingwekkend was echter het afgezaagde Ave Maria: pure kitsch! Maar gespeeld door Lazar Berman kreeg zelfs de kitsch een ongekend pure noblesse.