'Vernietiging Iraakse kernreactoren zinloos maar niet gevaarlijk'

ROTTERDAM, 21 jan. - Het Amerikaanse ministerie ven defensie heeft dit weekend verklaard dat de geallieerde luchtmacht alle nucleaire installaties van Irak heeft vernietigd. Dat roept drie vragen op. Wat waren dat voor nucleaire installaties, was het wel noodzakelijk ze te vernietigen, en levert een bombardement van de installaties geen bijzonder gevaar op voor de omgeving?

Volgens prof. ir. H. van Dam van het Interfacultair Reactor Instituut in Delft en ir. A. M. Versteegh van het Energieonderzoek Centrum Nederland in Petten bezit Irak geen enkele kerncentrale ('vermogensreactor'), maar uitsluitend onderzoeksreactoren. Plannen voor een 600 megawatt kerncentrale zijn in 1985 opgegeven.

Tot halverwege vorige week heeft Irak twee onderzoeksreactoren in gebruik gehad: de Tamuz-2 van 0, 5 megawatt en de IRT-5000 van 5 megawatt. Beide staan bij het onderzoekscentrum van Tuwaitha bij Bagdad.

De IRT-5000 is een oude Russische onderzoeksreactor die al sinds 1967 kritisch is. De Tamuz-2 is kritisch sinds 1987, naar alle waarschijnljkheid is het een kleine 'Isis'-reactor die Frankrijk kant-en-klaar leverde. Beide installaties gebruiken, zoals gangbaar voor research-reactoren, hoog verrijkt uranium. (In vermogensreactoren wordt laag verrrijkt of zelfs onverrijkt uranium gebruikt.)

In juni 1981 bombardeerde de Israelische luchtmacht met succes de Tamuz-1 reactor vlak voor dat deze in gebruik werd genomen. De Tamuz-1 stond ook bij het onderzoekscentrum Tuwaitha, het was een grote Franse onderzoeksreactor (70 megawatt) van het type 'Osiris' die in Irak 'Osirak' werd genoemd.

Met de neutronen-straling van deze Tamuz-1 ('Osirak') had men, denkt Van Dam, uit onverrijkt uranium (of afval-uranium) genoeg plutonium-239 voor twee kernbommen per jaar kunnen produceren. Voor Israel vormde de installatie dus een reeel gevaar.

“Dat is niet het geval met de Tamuz-2 en de IRT-5000”, zegt Van Dam. “Ik kan met geen mogelijkheid inzien wat het voor militaire betekenis heeft om deze kleine onderzoeksreactoren te vernietigen. Ze zijn te klein om er enig plutonium van betekenis mee te produceren.” Ook het IAEA, het Internationaal Atoom Eenrgie Agentschap van de VN in Wenen, dat de Iraakse installaties nog in november inspecteerde, heeft met nadruk verklaard dat de Tamuz-2 en IRT-5000 geen militaire waarde hadden. IAEA-inspecties hebben plaats in het kader van de controle op naleving van het non-proliferatieverdrag. Irak tekende dat verdrag in 1968.

Sceptici hebben steeds volgehouden dat Irak een geheim militair nucleair programma heeft. Irak zou nucleaire installaties bezitten bij Mosul (het Saad 16 complex), Kirkuk en Irbil in het noorden van het land. Daar zou de ongewenste plutonium-produktie plaatshebben. Het IAEA inspecteert alleen nucleaire installies die een land als zodanig aanmeldt, het bezoekt uitsluitend Tuwaitha.

Sterke aanwijzingen voor het bestaan van een militair nucleair programma zijn de onderschepping, vorig jaar, van Kryton-ontstekingen (voor de produktie van een atoombom) in Londen.

Van Dam en Versteegh geloven niet dat het bombardement van Tuwaitha veel gevaar voor de omgeving heeft opgeleverd. Daarvoor zijn de reactoren te klein. Aangenomen mag worden dat de Tamuz-2 en de IRT-5000 buiten buiten gebruik zijn gesteld toen de oorlog uitbrak, dat scheelt veel voor de radioactiviteit van de splijtstof. Stralingsgevaar, en het gevaar voor het giftige plutonium, zal zich hoogstens tot enige tientallen meters buiten de eigenlijk reactor uitstrekken. “Waarschijnlijk heeft het bombardement zelf het meeste gevaar opgeleverd”, zegt Versteegh.