Tapijt

Het traumatische effect van een 'bommentapijt', zoals dat nu wordt gelegd op de Iraakse Republikeinse Garde, heb ik indertijd in Indo-China op afstand kunnen ondervinden.

Een herinnering.

In 1973 bevond ik mij als Verre-Oosten-correspondent voor Vrij Nederland en de VARA-radio in Cambodja, toen daar de strijd volop woedde. In de hoofdstad Pnom Penh was men redelijk veilig, maar direct daarbuiten was je je leven niet zeker. Om een grote aanval van de Rode Khmer op de hoofdstad te voorkomen, bombardeerden Amerikaanse B-52's 's nachts de omgeving. De eerste nacht lag ik rustig te slapen, tot ik door een vreselijk lawaai ruw werd gewekt. De ruiten in mijn hotel rinkelden angstwekkend. Ik dacht dat er een bomaanslag was gepleegd op het hotel. Ik liep de gang op om mijn Amerikaanse collega te waarschuwen. Hij was al wat langer in Pnom Penh en zei: “Zo'n bommentapijt brengt een enorme luchtdruk teweeg. Als je je ramen een beetje openzet, klinkt het wat minder hard.” We liepen naar het raam en luisteren naar het bombardement. Op deskundige toon zei hij: “Dat moet op ongeveer 15 'kliks' (kilometers) hier vandaan zijn. Ga maar slapen, er is niets aan de hand.”

Enkele dagen later kroop ik door het oog van de naald. Ik had een auto gehuurd om in de omgeving van Pnom Penh te gaan kijken. Toen ik aan mijn Cambodjaanse chauffeur en zijn vriend voorstelde een eindje hoofdweg no.1 op te rijden, werden ze zeer nerveus. Ze deden het met grote tegenzin, maar riepen iedere honderd meter, dat ik nu toch echt niet verder moest gaan. Op een bepaald moment gaf ik toe en we keerden terug.

Plotseling komt een Cambodjaanse boer de weg op rennen. Ik kan niet verstaan wat hij zegt. Mijn vrienden worden spierwit en vertellen mij hakkelend. “De man heeft even verderop guerrilla's in een hinderlaag zien liggen die het op onze auto hebben gemunt.” Een patrouille van het regeringsleger verschijnt en verjaagt de guerrilla's. Weggedoken in de auto rijden we verder. Het was m'n tijd nog niet.