Scenario van de ommekeer in Moskou; 'Comite's van nationale redding' zorgvuldig voorbereid

MOSKOU, 21 jan. - De 'comite's van nationale redding' die nu in de Baltische landen de macht opeisen, zijn een vondst van Moskou. Met de organisatie en regie van deze comite's is twee maanden geleden al begonnen. Het plenun van het Centraal Comite van de Russische communistische partij (RCP), die vanaf de heroprichting in juni is beheerst door conservatieven, heeft daartoe in november het eerste signaal gegeven. Vanaf dat moment is het idee van een 'comite van nationale redding' op gezette tijden opgedoken. Totdat het eerste comite vorige week zaterdag, aan de vooravond van de gewelddadige militaire interventie in Litouwen, ineens operatief werd.

November 1990 was in vele opzichten een cruciale maand. Ze markeerde een omslag in de perestrojka. Ideologie en bestuur, dus communisme en Russische rijk, begonnen weer samen te vallen. Het plenum van het Centraal Comite van de communistische partij van de unie, de CPSU, gaf begin oktober een eerste aanzet. Gorbatsjov waarschuwde daar voor een “libanisering” van de Sovjet-Unie en riep daarom alle “progressieve en patriottische krachten” op tot een “bondgenootschap tegen het separatisme”. Na de plenaire sessie kondigde politburolid Aleksandr Dzasochov (na Gorbatsjov en diens plaatsvervanger Vladimir Ivasjko de derde man in de partijleiding) een “reconstructie van de regering” aan. Die mededeling werd toen geinterpreteerd als een wending in zogenaamde 'linkse' radikaal-democratische richting.

Een maand later kwam het Centraal Comite van de RCP bijeen. Die partij werd tot nu toe nooit serieus genomen omdat ze wordt gedomineerd door de tweede en derde garnituur van de communistische 'nomenklatoera' en, althans formeel, vanaf haar oprichting geheel ondergeschikt is gemaakt aan Gorbatsjovs CPSU, die op het partijcongres afgelopen zomer juist korte metten gemaakt leek te hebben met de orthodoxe vleugel onder van zijn tegenstander Jegor Ligatsjov. Te midden van onverbiddelijke aanvallen van zijn collega's in de leiding, die concludeerden dat de “koude burgeroorlog in de republieken al begonnen was” stelde RCP-leider Ivan Polozkov op 15 november voor “maatschappelijke comite's ter redding en verdediging van het socialisme” te vormen. De comite's zouden goede “contacten” moeten opbouwen met de communisten in de “broeder-republieken”.

Dit voorstel ontsnapte aan de aandacht van menigeen. Maar niet aan die van Oleg Sjenin en Joeri Manajenkov, twee invloedrijke secretarissen in het Centraal Comite der CPSU, de Leningradse partijleider Boris Gidaspov en diens hoofdstedelijke collega Joeri Prokofjev, lid van het CPSU-politburo. Ze namen alle vier deel aan het “werk van het plenum”, zoals het in het sovjet-jargon heet. Prokofjev zou er het idee van de 'comite's van redding en verdediging van het socialisme' zelfs ondersteund hebben. Vooral zijn bijdrage was opmerkelijk. De Moskouse partijchef heeft zich de afgelopen maanden ontpopt als een geduchte tegenstander van alle “kapitalistische tendenzen” in de Sovjet-Unie. Op een conferentie van de Moskouse partijorganisatie eind november sprak hij harde taal over de “bourgeois grondwet” die het Russische parlement van Boris Jeltsin toen in behandeling had en maakte hij gewag van de “onbeschaamde morele terreur tegen het communisme” die door het land zou gaan.

Tegelijk met het plenun van het Centraal Comite van de Russische partij werd op centraal bestuurlijk niveau een belangrijke doorbraak gerealiseerd die later een rol zou gaan spelen bij het opereren van de 'comite's van nationale redding': de herstructurering van de macht. Terwijl de Russische RCP elders in Moskou vergaderde, kondigde Gorbatsjov in de Opperste Sovjet aan dat hij de regering ging “herstructureren”. Toen werd duidelijk wat Dzasochov eerder met zijn opmerking na het plenum van het Centraal Comite van de CPSU bedoeld had. Het ging niet om coalitieregering met 'links' maar om een executief kabinet onder directe leiding van het staatshoofd, opgetuigd met een grotere uitvoerende rol voor de Federatieraad, waarin alle vijftien Sovjet-republieken zijn vertegenwoordigd. Het parlement van de Sovjet-Unie gaf daaraan zaterdag 17 november zijn fiat.

Verzet werd er niet geboden. Burgemeester Gavriil Popov van Moskou illustreerde de ambivalente houding van de 'linkse' beweging in november het treffendst in zijn essay 'Wat te doen? '. Voor een sterk uitvoerend gezag was ook hij te porren, zo schreef hij, mits die maar geleid werd door de “democratische krachten”. Maar, zo gaf Popov toe, die waren niet in staat om het daartoe noodzakelijke apparaat te beheersen omdat ze zich nog te veel aan het vermeien waren in een oppositionele cultuur.

De eerste comite's van nationale redding kwamen daarna al ras van de grond. In Letland gebeurde dat het eerst. Initiatoren waren de leider van de Moskou-gezinde Letse communistische partij, Alfreds Rubiks, en Albert Kauls, tot de opheffing eind vorig jaar lid van Gorbatsjovs presidentiele raad.

In Moskou werd de noodzaak voor een 'comite van nationale redding' op het niveau van de unie tezelfdertijd gepresenteerd, door een onduidelijke groep, het 'centristische blok', waarin zich rond twintig politieke partijen en maatschappelijke organisaties verenigd zeggen te hebben die bijna niemand kent. Het blok, geleid door Vladimir Voronin van de 'Andrej Sacharov Unie van Democratische Krachten', presenteerde op vrijdag 7 december het idee van een 'comite van nationale redding' aan Ivan Laptev en Rafik Nisjanov (de onder-voorzitters van de Opperste Sovjet van de unie). Voronin zei ook namens de Sojoez-fractie te spreken, de sterke parlementaire groep die behoud van de staatkundige eenheid van de Sovjet-Unie paart aan een orthodox communistisch gedachtengoed.

Er kwam niets uit. Kolonel Viktor Alksnis, de gedreven woordvoerder van de Sojoez-fractie die eind december het aftreden van minister Sjevardnadze hardvochtig zou bejubelen, ontkende een paar dagen na deze ontmoeting in het Kremlin dat de Sojoez-fractie iets met Voronins idee van een comite te maken had. Maar ondertussen werd wel minister Vadim Bakatin van binnenlandse zaken, de bewindsman die er steeds op hamerde dat de Sovjet-republieken hun eigen openbare orde moesten regelen met zo min mogelijk interventie vanuit Moksou, ontslagen en vervangen door de voormalige KGB-chef Boris Pugo uit Letland en generaal Boris Gromov.

Het proces stopte bovendien niet met het afscheid van Bakatin en Sjevardnadze, het vertrek van Aleksandr Jakovlev (de architect van de perestrojka die door de afschaffing van de presidentiele raad min of meer ambteloos burger is geworden) en de hartaanval van premier Nikolaj Ryzjkov. De presentatie van het Litouwse 'comite van nationale redding' onder de orthodoxe 'ideoloog' Juosas Ermolavicius, vorige week, was het begin van een reeks waarin Letse en Estse comite's snel volgden. Alle drie eiste ze een ding: direct presidentieel bestuur over de Balten en dus de omverwerping van de nationale regeringen en parlementen aldaar. Later zou bekend worden dat de Letse communistische partij van Rubiks in de nacht van 14 januari (een dag na de bestorming van het omroepkwartier) in een geheime resolutie alle Baltische 'comite's' opdracht had gegeven overal de macht op te eisen en de voorbereidingen van nieuwe verkiezingen te beginnen.

Minister Pugo zei maandag in het parlement te weten wie er lid van waren, maar dat omwille van hun veiligheid niet in het openbaar te willen zeggen. Ook in Rusland zelf zou al zo'n comite bestaan. De Russische leider Boris Jeltsin, die de laatste dagen steeds scherper door de legerkrant Krasnaja Zvezda wordt aangevallen, zei maandag kryptisch: “Het is nodig paraat en waakzaam te blijven”.

Desondanks ging de afgelopen week niet alles van een leien dakje voor de comite's. De militaire interventie in Litouwen bleef halverwege, bij het televisiestation, steken. In Letland en Estland sloeg de vlam niet in de pan. De comite's worden de afgelopen dagen nauwelijks nog in het televisiejournaal gememoreerd. Afgelopen weekeinde deed de redactie van de televisie nog alsof het Litouwse comite de macht in Vilnius reeds daadwerkelijk in handen had.

Bovendien is een poging van de communisten om de nieuwe Sovjet-regering naar hun hand te zetten niet geheel geslaagd. Vorige week zaterdag werden in de Federatieraad aanvankelijk voor de functies van premier en minister van buitenlandse zaken voorgesteld de partijbonzen Oleg Baklanov (lid van het politburo en in het Centraal Comite verantwoordelijk voor het militair-industrieel complex) en Dzasochov. Maar het werden de econoom Valentin Pavlov en de diplomaat Aleksandr Bessmertnich. Zowel Pavlov als Bessmertnich heeft bij aantreden geroepen dat het 'nieuwe denken' in het economische en buitenlandse beleid onder hun leiding niet tot staan zal worden gebracht. Dat neemt niet weg dat de comite's afgelopen dinsdag nog werden omarmd als legitieme maatschappelijk organen. Door niemand minder dan vice-voorzitter Nisjanov van de Opperste Sovjet.

Dit verhaal stond gisteren in onze extra zondageditie.

    • Hubert Smeets