'Niemand is bang in Bagdad en niemand verlaat de stad'

RUWEISHED, 21 jan. - De bevolking van Irak blijft tot nu toe betrekkelijk kalm onder de aanhoudende bombardementen door geallieerde vliegtuigen. Dat is althans het beeld dat de afgelopen dagen door de meeste vluchtelingen werd geschetst die uit Bagdad de grens met Jordanie bereikten.

Na het bereiken van een akkoord met de vluchtelingenorganisaties van de VN, heeft Jordanie vrijdag zijn grenzen opengesteld voor alle vluchtelingen wier regering bereid is te betalen voor opvang en vervoer. Verreweg de meeste reizigers die tot nu toe bij de grenspost Ruweished arriveerden waren echter Jordaanse gastarbeiders, die er geen twijfel over lieten bestaan dat zij de bombardementen als een vorm van ongerechtvaardigde agressie beschouwen, en Westerse televisieploegen, die niet verder konden, wilden of mochten werken in Bagdad.

Zaterdag werd uit de Iraakse hoofdstad vernomen dat ook de laatste Westerse journalisten “tijdelijk” het land zouden moeten verlaten, met achterlating van hun apparatuur. Al eerder was de berichtgeving uit Bagdad ernstig bemoeilijkt door een verplaatsingsverbod waardoor verslaggevers niet veel meer te zien kregen dan het uitzicht vanuit hun hotelkamer en de binnenkant van hun schuilkelder. Sinds eergisteren gold een strenge censuur.

“Wij hebben geen enkel probleem in Bagdad”, verzekerde zaterdag bij de grens een driftige Iraakse taxichauffeur die met een Jordaanse familie op weg was naar Amman. “Ik ben tijdens de bombardementen gewoon door blijven rijden. Niemand is bang. Niemand verlaat de stad. Wij zullen deze oorlog winnen, als God het wil.” Een Palestijn met een Jordaans paspoort vertelde dat wel degelijk veel families naar het platteland zijn vertrokken. Hij zelf was vlak voor het begin van de oorlog uit Koeweit op weg naar Amman en is een paar dagen in Bagdad gebleven om het verloop van de gebeurtenissen te volgen. Ook volgens hem is het rustig in de stad als er geen luchtaanvallen zijn. Er wordt nog gewerkt, er is nog water, licht en voedsel. Wel is een aantal overheidsgebouwen geraakt, waaronder het paleis van Saddam Hussein, het ministerie van defensie, het hoofdpostkantoor en het communicatiecentrum.

Volgens Reuter-correspondent Bernd Debussmann, die gisteren met de laatste groep buitenlandse journalisten uit Bagdad in Amman arriveerde, voelt de bevolking wel degelijk de druk van de bombardementen. Debussmann zegt dat het dagelijks leven vrijwel tot stilstand is gekomen. De mensen komen bijna niet meer uit hun huizen en schuilkelders, en lijden zichtbaar onder de spanning en het gebrek aan slaap. Winkels en benzinestations zijn gesloten, niet zozeer wegens gebrek aan goederen en brandstof maar doordat er geen bedienend personeel meer is.

Televisieverslaggevers van de Canadese omroep CBC die zaterdagmiddag in twee wrakke en bestofte taxi's arriveerden bevestigden echter dat Bagdad voor het oog nog steeds opmerkelijk ongeschonden is. “Wanneer we 's nachts uit het raam keken zagen we een inferno van lichtstrepen, vuurbollen en vlammen”, zei een van hen. “Het is heel merkwaardig om dan bij het eerste daglicht uit je raam te kijken en een stad te ontwaren waar helemaal niets gebeurd lijkt te zijn. Kennelijk weten de Amerikanen zo goed te richten, dat alleen het beoogde doel wordt geraakt en de gebouwen daar omheen gespaard blijven. En verder zou het grootste deel van het nachtelijk vuurwerk weleens veroorzaakt kunnen worden door het Iraakse afweergeschut. Ik heb de indruk dat ze doorgaans in het wilde weg zoveel mogelijk kogels sproeien, in de hoop bij toeval iets te raken.”

Verscheidene Jordaanse en Palestijnse reizigers zeiden dat ze Amerikaanse en Franse vliegtuigen hebben zien neerstorten boven Bagdad. Volgens door de Jordaanse autoriteiten bevestigde berichten stortte gisteren een toestel van onbekende nationaliteit neer nabij de plaats Treibeel, 10 kilometer van de grens met Jordanie. Reizigers die waren gestopt om foto's te maken van de explosie moesten zich onder doktersbehandeling stellen, nadat ze door vallende brokstukken waren geraakt. Een Soedanese diplomatenzoon zei zelfs kortaf dat hij in de Iraakse hoofdstad niets bijzonders had gezien “behalve veel vallende vliegtuigen”. Volgens een Canadese televisiejournalist is dat echter niet erg waarschijnlijk. “Wij hebben al die tijd niet een vliegtuig gezien, alleen maar een paar condensstrepen. Vooral overdag blijven ze heel hoog.”

Ook over het onaangetaste moreel in Bagdad had hij zo zijn twijfels. “Wij zijn weggegaan omdat er onder de steeds strengere regels niet meer te werken viel. Het was het risico niet meer waard. Voor die tijd probeerden we met cadeautjes en geld onze begeleiders zo gunstig te stemmen dat ze af en toe even niet opletten en wij met een Iraakse burger alleen konden spreken. Dat is ons na het begin van de oorlog drie keer gelukt - zonder camera natuurlijk. Alle drie de keren liet de man met wie we spraken merken dat hij het niet eens was met de overheidspropaganda, maar zich daarover onmogelijk kon uitlaten.”

Een Egyptische dierenarts die zaterdag als een van de eerste vluchtelingen in het kader van het VN-programma Jordanie binnenkwam, zei iets soortgelijks. “In het algemeen staan de Irakezen achter hun president, maar iedereen heeft ook zijn eigen gedachten en die kan hij onmogelijk uitspreken. Er is beslist geen paniek in Irak, maar de situatie is onduidelijk. Veel Irakezen luisteren in het geheim naar buitenlandse radiostations en die vertellen iets anders dan de staatsomroep. Als ze moeten kiezen, denk ik dat ze toch het meeste vertrouwen hebben in Saddam Hussein.”

De Egyptenaar had met een kleine groep landgenoten ruim zes uur gedaan over de tocht van Bagdad naar Ruweished. De Canadezen hadden bijna een etmaal over secundaire wegen moeten rijden, waarbij ze voortdurend voor troepenverplaatsingen moesten uitwijken. “De hoeveelheid geschut die we tegenkwamen was enorm. We denken zelfs twee lanceerinrichtingen voor Scud-raketten te hebben gezien, die op weg waren in de richting van Bagdad.”

De Egyptische vluchtelingen werden na het passeren van de Iraakse grens naar een tentenkamp in niemandsland gebracht om zich te laten registreren en op een lijst voor transport naar de Rode-Zeehaven Aqaba te worden gezet.

Franziska Aebi van het Internationale Rode Kruis, die dit kamp beheert, was gistermiddag zeer verbaasd over het geringe aantal vluchtelingen (of evacues, zoals hun officiele benaming luidt). In plaats van het begin van een vloedgolf die volgens sommige schattingen tot 1, 3 miljoen personen zou kunnen aangroeien, werd de hulporganisatie met niet veel meer dan tweehonderd Egyptenaren, Soedanezen, Jemenieten en Somaliers geconfronteerd.

Slechts een paar van de tientallen tenten in het opvangkamp waren in gebruik, twee andere kampen bleven zelfs geheel leeg. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat Irak de wegen zoveel mogelijk vrij wil houden voor militair verkeer. De eigen bevolking is het bovendien niet toestaan het land zomaar te verlaten.

Ook de directeur van de VN-organisatie voor hulp bij rampen, UNDRO, Hans Einhaus, is verbaasd over het geringe aantal mensen dat Irak verlaat. Sinds vrijdag zijn het er aan de grens met Jordanie per dag niet meer dan 200 of 300, terwijl de VN in Iran tot gisteren pas 100 personen had geregistreerd en niemand er tot dusverre in is geslaagd de grenzen met Syrie en Turkije te passeren. “Alles wat hierover wordt gezegd is speculatie”, zegt Einhaus. “We weten niet of de wegen naar de grens kapot zijn, overvol of afgesloten door de politie. Het kan ook zijn dat de buitenlanders in Irak eenvoudig niet weten dat sommige grenzen nog open zijn. Onder de Iraakse bevolking heerst vermoedelijk geen paniek. Vergeet niet dat in de laatste weken honderden Irakezen naar hun land zijn teruggekeerd om voor Saddam Hussein te vechten.”

De Jordaanse regering heeft van haar kant strenge eisen gesteld aan het aantal en de aard van de vluchtelingen. Van 9 tot 18 januari is de grens alleen voor houders van een Jordaans, Syrisch of Libanees paspoort geopend geweest. Volgens de autoriteiten heeft het land in augustus en september 56 miljoen dollar uitgegeven aan de opvang van vluchtelingen uit Koeweit. Door de betrokken staten en internationale organisaties is echter slechts 12 miljoen terugbetaald. Dit zou een ondraaglijke last zijn voor de toch al door de Golfcrisis ernstig aangetaste Jordaanse economie.

Diplomatieke kringen in Amman menen echter dat het bedrag dat Jordanie van het buitenland vraagt veel te hoog is. Het zou gebaseerd zijn op het aantal dagen dat iedere vluchteling tussen aankomst en vertrek in Jordanie is geweest en niet op de in werkelijkheid gemaakte kosten voor voedsel en onderdak.

Hoe dat ook zij, Amman wil voor iedere groep die het land binnenkomt nu een aparte financiele garantie. Aan deze regel wordt streng de hand gehouden, zoals twee Somaliers zaterdag hebben gemerkt. Omdat hun regering in een burgeroorlog verwikkeld is kon er voor hen niets worden gegarandeerd of betaald. Onder protest van Rode Kruis- en VN-medewerkers pakte de Jordanese politie de twee ongelukkige jongens op en bracht ze in een busje terug naar de Iraakse grens.

Dit stuk is een geactualiseerde versie van de reportage die gisteren in onze extra zondageditie stond.

    • H. M. van den Brink