Honderden vrijwilligers voor hulp aan Israel

AMSTERDAM, 21 jan. - Zijn handen jeuken. Maar de voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond (NZB), drs. J. Moed, blijft in Nederland. “Mijn taak ligt hier”, zegt hij, terwijl hij met een oog naar de televisie kijkt om vooral niets te missen.

De afgelopen dagen hebben zich bij het Joods coordinatiecentrum in Amsterdam ruim honderd vrijwilligers gemeld voor Israel. Onder hen zijn chirurgen en verpleegsters, maar ook marktkooplui en mensen zonder opleiding die overal waar dat nodig is hun handen uit de mouwen willen steken. Moed: “Ze voelen zich verbonden met Israel, ondanks de vaak negatieve berichten over de politiek van Israel in de bezette gebieden.” Er wordt geen leeftijdslimiet gesteld - vrijdag nog had Moed een verpleegster van bijna zestig aan de lijn die naar Israel wilde.

Hij kent dat gevoel. Tijdens de Yom-Kippuroorlog had hij het zelf. Een dag na het uitbreken van die oorlog op 6 oktober 1973 meldde hij zich en vertrok direct naar Israel, waar hij zich verdienstelijk maakte door alles aan te pakken wat hem voor de voeten kwam.

De vrijwilligers die zich nu hebben gemeld zullen wat langer moeten wachten. Moed: “Alle mensen krijgen een formulier toegestuurd en daarna volgt een tweede gesprek. Waarschijnlijk sturen we nog eind deze week alles op naar Israel.” Pas wanneer de Israelische regering laat weten behoefte te hebben aan vrijwilligers, wordt op hen een beroep gedaan.

Bij de stichting Nederland-Amerika hebben zich sinds het uitbreken van de Golfoorlog ruim elfhonderd mensen gemeld als vrijwilliger voor hulp in het Midden-Oosten. Onder hen zijn technici, medici, verpleegsters, chauffeurs en oud-militairen. Bij de stichting, die in 1982 is opgericht, zijn drieduizend Nederlandse bedrijven aangesloten.

Even snel als Moed in 1973 op het vliegtuig stapte, deed de toen 26-jarige L. Swaan dat in 1967, kort na het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog. “Ik werkte toen bij een architect en van de ene op de andere dag heb ik m'n werk neergelegd. Er werden vrijwilligers gevraagd en met een groep van zo'n veertig mensen ben ik vertrokken. Het was heel emotioneel, je wou wat doen - net als de mensen die zich nu melden. Je had natuurlijk fantasieen over wat je allemaal wilde doen, in de eerste plaats vechten. Maar toen we in Israel aankwamen stonden we snel met beide benen op de grond. We werden overal ingezet waar een tekort aan mannen was, op het land bijvoorbeeld.”

Zijn betrokkenheid bij wat zich in Israel afspeelt is niet verdwenen, de aandrift om zich nu als vrijwilliger te melden is minder geworden. “Ik ben natuurlijk geemotioneerd als ik zie wat er gebeurt, ik kijk ernaar met een brok in mijn keel. Maar veel meer dan in 1967 heb ik nu het gevoel: ze redden het. Ik heb ontzettend veel vertrouwen in het leger. Dat laat niet toe dat Israel van de kaart wordt geveegd.”

Moed deelt dat vertrouwen, maar voegt er meteen aan toe dat de oorlog niet drie jaar later had moeten uitbreken. “Dan was Saddam Hussein nog sterker geweest, had hij waarschijnlijk geavanceerde nucleaire wapens. Het gevaar zou dan veel groter zijn dan nu.”

Zijn stem verraadt minachting voor degenen die in 1981 over Israel heen vielen toen dit land de kernreactor van Irak platbombardeerde. “Als dat toen niet was gebeurd zaten we nu diep in de ellende.”

Hij is het eens met directeur R. Naftaniel van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israel, die vindt dat wanneer ook de tweede Iraakse raketaanval op Israel ongewroken blijft de Amerikanen Israel daarvoor moeten 'betalen' met concessies, bijvoorbeeld door de stem van Israel zwaar te laten wegen bij een eventuele conferentie over het Midden-Oosten na de oorlog.

Maar Moed sluit niet uit dat Israel toch overgaat tot een vergeldingsactie tegen Irak. “Het centrale probleem ligt niet in Israel maar in de aard van de Arabische regimes. Saddam zelf bewijst dat door een link te leggen tussen Israel en Koeweit, een link die wel heel ver gezocht is.”

    • Anneke Visser