Geen begrip meer voor 'Yankee go home'-leuzen

Als student heb ik vele uren protesterend doorgebracht voor de ambassade van de VS in Den Haag en nog veel meer voor het Amerikaanse consulaat in Amsterdam. Tegen de oorlog in Vietnam. Tegen de bombardementen op Hanoi. Tegen de inval in Cambodja. Niet een enkele keer, maar met grote regelmaat ontrolden de studentenvakbonden daar begin jaren zeventig hun spandoeken. Ook als Washington niet schuldig was aan een rechtsstreekse militaire interventie in een derde wereldland, maar wel onder verdenking stond van inmenging (Chili) lag een protestbetoging voor de hand. 'Yankee go home!'

De demonstraties die vorige week op dezelfde locaties zijn gehouden onder de leuze 'Stop de oorlog in de Golf', zouden dus eigenlijk een gevoel van sympathie of ten minste herkenning bij me moeten oproepen. Maar het tegenovergestelde effect deed zich voor - een bewuste instemming met de aanval op het bewind van Saddam Hussein. Er bleef niets over dan de schroom om toe te geven dat zelfs de inzet van B 52-bommenwerpers niet automatisch afkeer teweeg bracht van het besluit om geweld te gebruiken. De dictator in Irak is beangstigend en gevaarlijk, maar het kostte toch moeite uit deze constatering de conclusie van steun aan de Amerikaanse oorlogsvoering te trekken.

Een totale ommezwaai? Van Vietnam tot Nicaragua hadden de VS zich in mijn ogen aan imperialistische agressie bezondigd. Nu kon ik me onmogelijk verplaatsen in de opvatting van de vredesdemonstranten. Het is niet moeilijk de vraag, of hier sprake is van een verloochening van voorheen aangehangen 'linkse' principes gewoon uit de weg te gaan.

De krachtmeting in de Golf verschilt hemelsbreed van de Vietnamoorlog. De vergelijking lijkt irrelevant. De guerrilla-oorlog die de Vietcong voerde viel op goede gronden te beschouwen als een strijd voor het recht op zelfbeschikking. De interventie van de VS nam het karakter aan van een kruistocht tegen het communisme, een verdelgingspoging die groot medegevoel met de Vietnamese bevolking teweeg bracht en dan ook bijdroeg tot de afbrokkeling van het anti-communisme in het Westen, waar de na-oorlogse generatie zich tot op zekere hoogte met de Vietcong kon identificeren, althans zolang de strijd voortduurde.

Zoiets is volkomen ondenkbaar in het geval van Saddam Hussein. De demonstraties van de afgelopen dagen zijn dan ook niet ingegeven door enige sympathie voor Irak. Voor zover valt te overzien, waren de meeste demonstranten het van harte eens met alle VN-resoluties tegen Irak, met de essentiele uitzondering van de resolutie waarin de Veiligheidsraad toestemming verleent tot het gebruik van geweld. De huidige demonstranten zijn anti-Saddam, hun 'voorgangers' waren pro-Vietcong. Maar hoe vergezocht de parallel tussen de protesten tegen de Golfoorlog en de 'Vietnam-beweging' ook lijkt, enkele belangrijke overeenkomsten zijn toch niet te ontkennen.

In twee woorden: anti-oorlog, anti-Amerika. Wie de Pax Americana in Zuid-Oost-Azie en in Latijns-Amerika verfoeilijk vond, maar niet afwijzend staat tegenover een Pax Americana in het gebied van de Golf, heeft iets uit te leggen. De ene oorlog is de andere niet, maar datzelfde geldt voor iemands wereldbeeld.

Er zijn een paar vertrouwde elementen in de protesten tegen de Golfoorlog aan te wijzen. Het leed van de burgerbevolking in de oorlogsgebieden en de vernieling van hun woonomgeving wekken onder alle omstandigheden afschuw op. En het cynisme van politieke leiders blijft de woede prikkelen.

In deze krant van zaterdag viel over George Bush te lezen: “Hij is een onverbloemd aanhanger van het idee dat er gebieden in de wereld zijn waar de VS vitale economische en politieke belangen hebben en hij meent dat de VS moeten intervenieren als die belangen worden bedreigd”. De uitspraak is van David Broder, columnist van de Washington Post en een oude vriend van Bush, die de reactie van de president ook 'instinctief en dus authentiek' noemde.

Zo valt werkelijk alles te verdedigen, als het maar binnen de presidentiele context van nationaal eigenbelang kan worden gebracht. In Vietnam stonden volgens Bush' voorgangers ook 'vitale Amerikaanse belangen' op het spel. In Zuid-Amerika zal niemand het bestaan van zulke belangen betwisten. Voor de Russen waren in Polen, Tsjechoslowakije en de DDR mogelijk vitale belangen aan de orde. De oorlog in Afghanistan is hiermee ook gerechtvaardigd.

Het beroep op vitale Amerikaanse belangen verschilt niet wezenlijk van de mededeling op de spandoeken, dat in het Golfgebied een perfide ruilhandel tussen olie en mensenbloed plaatsheeft. Het conflict in de Golf zou in het marxistische jargon een 'imperialistische oorlog' heten. Oorlogen zijn in deze theorie uiteindelijk altijd te herleiden tot belangentegenstellingen van zuiver economische aard: de jacht op grondstoffen en markten, de imperialistische concurrentie over de verdeling van de wereld. Daar moeten de volken voor bloeden.

Dit type verklaring is aantrekkelijk door de eenvoud ervan. Oorlog in de Golf? Olie. Natuurlijk is het vitale belang van de olievoorziening voor de wereldeconomie in het Witte Huis geheel instinctief begrepen. Maar welk economisch belang van Iraks 'heersende klasse' of elite dient Saddam Hussein door het land bloot te stellen aan de oorlog? De olie van Koeweit kan niet snel vergoeden wat nu wordt aangericht.

In Vietnam liet de inzet van de economische belangentegenstelling tussen de Vietcong en Noord-Vietnam enerzijds en het Amerikaanse 'imperialisme' anderzijds zich niet zo simpel benoemen. De protesten tegen die oorlog waren dan ook voornamelijk ingegeven door morele verontwaardiging. Deze laat zich overigens uitstekend combineren met een economisch determinisme. Behalve het olie-, kan het wapenkapitaal in een handomdraai van alle andere denkbare factoren geisoleerd worden als de doorslaggevende belanghebbende bij het uitbreken van oorlog in het algemeen en de Golfoorlog in het bijzonder.

Vrijwel alle landen van de coalitie die nu Irak bevecht, hebben meegeholpen Saddam van moderne wapens te voorzien. Oost en West vulden de arsenalen van de dictator. Actueel en tijdloos tegelijk klinkt de tekst van Bob Dylan uit de jaren zestig over de 'kooplieden des doods', : “Come you masters of war- You that build all the guns-You that build the death planes- You that build the big bombs”. De Russen leverden Saddam tanks en vliegtuigen, de Fransen straaljagers, de Amerikanen raketten, de Britten computersystemen en de Duitsers hadden, schreef een andere zanger, Wolf Biermann, in Die Zeit 'op de slagvelden om de olie de Duitse eenheid allang verwerkelijkt'. De DDR stelde Irak in het bezit van biologische wapens, de Bondsrepubliek verkocht chemische installaties aan Irak en gasmakers aan Israel. Mogelijk doelde Groen Links op dit internationaal verbreide gebrek aan commerciele scrupules, toen Ria Beckers de toepassing van geweld tegen Irak bestempelde als een wereldwijd 'moreel bankroet'. Inderdaad was het immoreel een dictator in staat te stellen Israel met gas te bedreigen en hem de beschikking te geven over benodigdheden voor een nucleair wapen. Daarentegen valt de militaire operatie waarbij hem dit tuig uit handen wordt geslagen, als een hoogst morele daad te beschouwen.

Het lijkt wonderlijk dat Groen Links bezwaar aantekende tegen onverwijlde opruiming van Saddams massavernietigingswapens. Het bezwaar is consistent met een principieel pacifistische afwijzing van ieder geweld. Maar Groen Links heeft zich herhaaldelijk uitgesproken voor een daadwerkelijke handhaving van de internationale rechtsorde om vervolgens, als puntje bij paaltje komt, de proportionaliteit van geweld tegen Saddam te betwisten. De verklaring van deze houding moet te zoeken zijn in wat hierboven als 'vertrouwde elementen' werd aangeduid: 'anti-Amerika, anti-oorlog'. Niet *

der 'instinctmatig en dus authentiek' dan de 'vitale belangen' van Bush. Het is een reflex, een automatisme, een residu van een wereldbeeld waarin de economisch machtigsten de belanghebbenden bij oorlog zijn.

De verklaring die elk oorlogsgeweld tot economische oorzaken herleidt, blijkt vooral tekort te schieten als de volkenrechtelijke en de morele aspecten van een conflict op de voorgrond treden. Factoren die in de protesten tegen het Amerikaanse imperialisme hoogstens als afgeleiden van het economische belang plachten te worden beschouwd, oefenen een autonome invloed uit. Als de 'linkse principes' uit de periode van de Vietnam-oorlog dit ontkennen, blijft er een opportunistische behoefte over zich hoe dan ook los te maken uit de consensus.

De 'Masters of War' zijn daarmee niet van het toneel verdwenen. De olieconcerns vormen een krachtige lobby als het erop aankomt de vitale belangen van de VS te definieren. Dus trekken de demonstranten oudergewoonte naar de Amerikaanse ambassade, in plaats van de schreden te richten naar de ambassade van Irak. 'Geen bloed voor olie'. En ook geen bloed voor voor de handhaving van de internationale rechtsorde, die moet verzekeren dat agressie niet loont en dat een agressor met geweld tot de orde kan worden geroepen als de Veiligheidsraad daar toestemming voor verleent? Wie alleen 'belangen' ziet en voorbij gaat aan de rechtmatigheidsvraag, zal geestelijk blijvend in het jaar 1938 moeten vertoeven met appeasement als hoogste beginsel.

Behalve om de olie en om de internationale rechtshandhaving woedt de strijd in het Golfgebied om de verhindering van de proliferatie van kernwapens, het bestaansrecht van Israel, het recht gevrijwaard te blijven van gifgas, het tegenhouden van een dictator en het beschermen van de beschaving tegen de aanspraken van een fanatieke megalomanie. Het is een definitieprobleem of deze doelstellingen overeenstemmen met linkse principes. De reductie van het conflict tot een 'slag om de olie' steunt op geen enkel principe, maar bestempelt normen tot trivialiteiten.