De Irakezen dreigden me als spion te executeren

AMMAN, 21 jan. - Geboeid, geblinddoekt en blauwgeslagen lieten mijn Iraakse bewakers me achter in een jeep, terwijl ze zelf een schuilplaats zochten voor een nieuwe luchtaanval van de geallieerden op Bagdad. De jeep schudde heen en weer door de zware bommen die dichtbij insloegen. Luchtafweergeschut ratelde. Voor mij en voor de fotograaf die naast me lag, was het niet mogelijk ergens bescherming te zoeken.

Het waren traumatische momenten, maar het angstaanjagendst was het moment dat een Iraakse officier ons van spionage beschuldigde en dreigde ons te zullen executeren.

Deze nachtmerrie had zaterdag plaats en duurde acht uur. Bagdad had buitenlandse journalisten opdracht gegeven Irak te verlaten en samen met de fotografen Van der Stockt en Thomas had ik besloten met een auto naar Jordanie te rijden. In de buurt van het vliegveld van Bagdad hielden Iraakse militairen ons echter aan en dwongen ons hen te volgen naar een legerkamp.

Op het moment dat we daar aankwamen was het kamp doelwit van een nieuwe luchtaanval van de geallieerden - luchtaanvallen die van Bagdad een spookstad hebben gemaakt. Toen konden we nog dekking zoeken in een schuttersput.

Na een verhoor deden Iraakse soldaten de fotografen handboeien om en bonden mijn handen met in repen gescheurde kleren op mijn rug. Met het zelfde materiaal blinddoekten ze ons. Ik werd naar een auto gesleept en moest mijn hoofd tussen mijn knieen houden, zodat de soldaten er zeker van waren dat ik niets zou zien. Met klappen in onze nek zorgden ze ervoor dat ik en de fotograaf die in dezelfde jeep zat, niet opkeken.

Op dat moment begon een nieuwe luchtaanval en lieten de Irakezen ons aan ons lot over.

Na de aanval volgde een nieuw verhoor, ditmaal door twee officieren. “Je bent een leugenaar”, zei een van hen, en hij gaf een harde stomp tegen mijn hoofd. “Je zult beschuldigd worden van spionage”, zei hij, en wees me erop dat in Irak op spionage de doodstraf staat.

De officieren trokken zich terug voor beraad en lieten ons twee uur wachten, waarna we weer in een jeep werden gezet. Zonder verder verklaring zetten onze bewakers ons af bij het al-Rashid hotel, waar de internationale pers zich heeft verzameld.

In de schuilkelder van het hotel keek de functionaris van het Iraakse ministerie voor informatie verbaasd op van onze onverwachte terugkeer. Wij vertelden ons verhaal en het huilen stond hem nader dan het lachen. “Mijn excuses, het spijt me enorm”, en hij omhelsde ons een voor een. (Reuter)

[De Noirmont en zijn twee collega's zijn intussen veilig aangekomen in Amman, Jordanie]