Componist Kagel blijft een verraderlijke en veranderlijke magier

Concerten: werken van Mauricio Kagel door Mondriaan Kwartet, Studentenensemble van Koninkijk Conservatorium, Gerard Bouwhuis (piano), Vera Beths (viool) en Govert Jurriaanse (fluit) met Marja Bon (piano) en Michael Barker (blokfluit). Gehoord 10, 17 en 18-1 Koninklijk Conservatorium Den Haag.

Tedere radicaliteit: dat vooral karakteriseerde Mauricio Kagel in de jaren zestig en midden zeventig. Radicale tederheid typeert zijn recente ontwikkeling. Sonant uit 1960 is zijn zachtste, bijna onhoorbare stuk, het jaar daarop schreef hij met Improvisation ajoutee zijn meest infernale compositie. Dit soort uitersten zijn niet meer te verwachten, hoewel je bij Kagel - meester van de paradox - nooit iets helemaal zeker weet. Tot en met 15 februari is hij in het Haagse Koninklijk Conservatorium de centrale figuur van een groots opgezet project, met concerten ook buiten de muren van het instituut, zodat de gehele Randstad ervan kan profiteren.

Met Transicion II voor piano, slagwerk en tapes uit 1958-'59 betaalde Kagel tol aan de mode van roterende structuren. De ruggetjes werden uit de partituren gesneden om de vertolker een mobiele vorm te kunnen aanbieden. De wijze waarop clusters gespeeld moeten worden is veel interessanter (met vingertoppen, de zijkant van de hand, de vuist, enz.) want dit voert naar muzikale gestiek. De volgende stap is het inschakelen van het publiek en al spoedig zitten wij op de buhne en de musici in de zaal.

Een orgelwerk kan aanleiding geven tot een verslag van de organist vanaf het tijdstip dat de wekker hem doet opstaan en hij, even later, luistert naar het nieuws en de wc doortrekt, en kan ogenblikkelijk overgaan in virtuoos orgelspel, want aan een geordend tijdsverloop is de surrealist Kagel natuurlijk niet gebonden.

Transicion II is niet aleen een vertrekpunt voor muziektheater, het werk bevat ook nostalgieke accenten als een verwijzing naar de Marchenzeit uit Schonbergs Pierrot lunaire. Tenslotte zou Kagel de romantiek steeds dichter aan zijn hart drukken.

Waartoe dat leidde toont zijn Derde strijkkwartet uit 1988, met veel liefde vertolkt door het Mondriaan Kwartet. Het hele begrip van het romantisch kwartet staat als het ware op zijn tenen: hoofd- en neventhema's, doorwerkingen en reprises draaien sierlijke pirouettes, komen uit onverwachte hoeken op en verdwijnen weer even onverhoeds, elegant en verrassend. Alleen bij een magier als Kagel laat zo'n schetsmatige muziek een coherente indruk achter.

Het tweede deel met zijn hupse voorslagjes en een melodie gespeeld als op een 'Bauerngeige' lijkt in zijn wat al te onnozele folklore niet van ironie gespeend, maar Kagel werkt de dubbelzinnigheid niet uit. Ook een Brahms-citaat (begin Vierde symfonie) zet niet door. Je verwacht ironie bij Kagel, maar hier moeten we hem serieus nemen: geen theater, geen morbidezza, geen bizarrerieen, maar een absolute muziek - wie had dit in de jaren zestig kunnen geloven?

Koorddanser tussen kunst en kitsch toont Kagel zich wel degelijk in MM 51 voor piano en metronoom, het tikkastje wordt met een pedaal van een afstand bediend. Als de metronoom dreigt te vallen wordt de pianist een schurk en moet Alois Kontarski (vrijdagavond op het filmdoek, later komt het werk nog live tot klinken) bloedstollend lachen. Die metrische puls staat voor een horror-gestiek, ook in Unguis incarnatus est voor piano en een willekeurig laag instrument is dit het uitgangspunt. De pianist trapt als een metronoom gelijkmatig en hard op het pedaal, dat als een ingegroeide nagel (zie de titel) in de voet lijkt geplant.

Kagel speelt graag met een labiel evenwicht, een balance-act tussen droom en werkelijkheid, logica zegt hem weinig, elk dogma gaat voor de bijl, wordt genadeloos ontmaskerd. In Unguis incarnatus est heeft Kagel genoeg aan de melodie uit Liszts Nuages gris, zonder begeleiding, de expressiviteit gepeurd uit de pure melodie, en andersom is in An Tasten (1977), intensief vertolkt door Gerard Bouwhuis, de begeleidersfiguur voldoende. Oorspronkelijk is het de pianomuziek uit Soundtrack, een combinatie van film met hoorspel. Het onderwerp: de tv als instrument van verpaupering. Een gezin wil rustig televisie kijken maar wordt daarbij gestoord door de onafgebroken pianostudie door de zoon des huizes: het later zelfstandige An Tasten. Een juweeltje met het aura van 'grote' muziek: Beethoven, Bartok, Debussy, Schonberg (opus 11).

Kagel dwingt je te luisteren naar de kleinste nuances, en dat nog het meest in Klangwolfe (1971) waarbij de viool met de radicale wolfdemper wordt bespeeld, hetgeen resulteert in een geknepen en nasale toonproduktie. De leeggezogen klank waar Kagel een duidelijke relatie mee heeft, zoals hij ook gek is op broze en brokkelige geluiden - een Argentijn kent zijn gitaar: radicale tederheid wederom binnen p en pp. Vera Beths nuanceerde subtiel, maar werd iets overspeeld door Marja Bon. De vleugel had niet alleen met de dekens op de klankkast, maar ook vastgebonden eronder kunnen worden afgedempt.

Bijzonder spectaculair was de met veel fantasie uitgewerkte en uiterst complexe versie (alleen al de synchroniteit tussen film- en liveperformance) die blokfluitist Michael Barker had weten te bedenken voor Atem fur einen Blaser (1969-1970), waarin defecte tongrollers er al op wijzen dat de lippen niet meer willen en niet meer in staat om zelfs vervormde tonen voort te brengen. Tenslotte blijft de blazer dood op de grond liggen - in afwachting van het vurig verlangde pensioen, aldus in een notitie van de componist. Heel wat klanken zowel als musici (ook in het slot van MM 51 grijpt de pianist naar zijn hart) sterven bij Kagel, maar tegelijkertijd is zijn muziek vitaler dan ooit en bovendien dankbaar voor de executant.

    • Ernst Vermeulen