Overleg van industrielanden in schaduw van Golfoorlog

DEN HAAG, 20 jan. - De Golfoorlog en de politieke crisis in de Sovjet-Unie bieden volop stof tot discussie voor de ministers van financien en centrale bankpresidenten van de zeven machtigste industrielanden, als ze vanavond en morgen bijeen komen in New York. Uit hun informele overleg over de politieke en militaire actualiteit zijn evenwel geen belangrijke economische of monetaire beslissingen te verwachten. De internationale situatie is weliswaar militair en politiek gespannen, maar in de financiele en economische wereld heerst betrekkelijke rust.

De Groep van zeven - die bestaat uit de ministers van financien en centrale bankpresidenten van de VS, Japan, Duitsland, Groot-Brittannie, Frankrijk, Italie en Canada - houdt zich bezig met de coordinatie van het internationale economische en financiele beleid. In de G-7 stemmen de belangrijkste industrielanden hun standpunten over een breed scala van onderwerpen op elkaar af buiten de gevestigde internationale organisaties om.

Aanvankelijk hadden de ministers en centrale bankpresidenten zich voorbereid om dit weekeinde een signaal te geven dat ze bereid waren de financiele markten te stabiliseren als het begin van de Golfoorlog tot dramatische koersdalingen zou hebben geleid. Maar de beurzen reageerden opgelucht dat na ruim vijf maanden gespannen afwachten de gevechten waren begonnen en de noodzaak voor interventies om de markten te kalmeren is vooralsnog afwezig. Zoals een monetaire deskundige zei: “De markten houden zich uitstekend en het is dus zinloos om nu signalen te geven.”

De afspraak voor deze bijeenkomst van de Groep van zeven werd eind vorig jaar gemaakt op verzoek van Frankrijk. De Franse minister van financien Pierre Beregovoy wilde overleg over de voortdurende daling van de dollar. Hoewel Duitsland en de Verenigde Staten ieder om eigen redenen heel goed konden leven met de zwakke dollar, stemden ze min of meer onverschillig in met een bijeenkomst van de G-7.

De Amerikaanse monetaire autoriteiten zijn bereid de inflatoire gevolgen van een zwakke munt te accepteren, want ze geven prioriteit aan renteverlaging om een verdieping van de recessie te voorkomen. Bovendien verwachten ze dat een goedkope dollar de economie helpt om zich uit een recessie te exporteren.

Voor Duitsland is een zwakke dollar - en dus een sterke D-mark - een aangename externe factor in een moeilijke binnenlandse situatie. Het helpt de Duitse inflatie laag houden en het voorkomt dat de rente nog verder omhoog wordt gejaagd nu de financiering van de Duitse eenwording vele miljarden D-marken meer kost dan aanvankelijk werd beweerd. Een sterke munt houdt de kosten om geld op de kapitaalmarkt aan te trekken lager.

Door de Golfoorlog is de dollar geen gespreksonderwerp meer. Nadat de Amerikaanse munt eind vorig jaar van het ene naar het volgende historische dieptepunt wankelde, heeft de Golfcrisis de dollar gesterkt. In de aanloopweken naar de 15-de januari, de dag waarop het VN-ultimatum verstreek, klom de dollar omhoog. En hoewel de verwachte koersstijging direct na het begin van de oorlog uitbleef, staat de dollar op het ogenblik met een koers van D-mark 1, 50 net boven zijn historische dieptepunt van eind vorig jaar.

Ook over de Sovjet-Unie zullen de ministers en centrale bankiers geen concrete besluiten nemen. Na de ingrepen in de Baltische republieken, de instelling van censuur en de dictatoriale bevoegdheden die president Gorbatsjov aan zich heeft getrokken, zijn de Westerse landen zeer terughoudend geworden met hulp aan de Sovjet-Unie. De G-7 zou zich buigen over het lidmaatschap van de Sovjet-Unie van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank, maar het is de vraag of dat nu nog enige politieke prioriteit krijgt. Hooguit zullen de ministers de twee recente studies naar de economische situatie in de Sovjet-Unie, de ene van het IMF en de Wereldbank, de andere van de EG, bespreken.

Buiten de directe actualiteit zal de G-7 zich bezighouden met langlopende kwesties zoals de patstelling in de GATT-onderhandelingen over handelsliberalisatie, die deze maand weer op gang moeten komen. Ook zullen ze spreken over verlichting van de buitenlandse schuldenlast van Egypte (een Amerikaanse wens) en Polen (een Duitse wens).

Vorig jaar kwamen de ministers en bankpresidenten van de G-7 drie keer bij elkaar. In april hielden ze een korte bijeenkomst in Parijs, waarbij de zwakke positie van de Japanse yen en de Duitse eenwording - die toen nog moest plaats hebben - onderwerp van gesprek waren.

Een maand later hield de G-7 zijn gebruikelijke vergadering voorafgaande aan een bijeenkomst van het IMF en de Wereldbank. De G-7 stemde toen in met een kapitaalverhoging voor het IMF van zestig miljard dollar ter financiering van de economische hervormingsprogramma's in Oost-Europa en de Derde wereld. Gekoppeld aan die kapitaalverhoging werd tevens afgesproken dat de Fransman Jacques Attali de door ex-minister Ruding begeerde post van president van de Ontwikkelingsbank voor Oost-Europa zou krijgen en dat deze bank in Londen zou worden gevestigd.

Na de bezetting van Koeweit hield de G-7 zich in september bezig met de economische gevolgen van een nieuwe oliecrisis. Men koos voor inflatiebestrijding als antwoord op de gevolgen van hogere olieprijzen. Voortzetting van een krap monetaire beleid - hoge rente - en doorberekening van de energiekosten naar de verbruikers kregen prioriteit. Op die manier wilde men de fouten die in de jaren zeventig waren gemaakt na de eerste en tweede oliecrises voorkomen.

    • Roel Janssen