'Niemand is bang in Bagdad en niemand verlaat de stad'

RUWEISHED, 20 jan. - De bevolking van Irak blijft tot nu toe kalm onder de aanhoudende bombardementen door geallieerde vliegtuigen. Dat is althans het beeld dat vandaag door vluchtelingen werd geschetst die vanuit Bagdad de grens met Jordanie bereikten.

Na het bereiken van een akkoord met de vluchtelingenorganisatie van de VN heeft Jordanie vrijdag zijn grenzen opengesteld voor alle vluchtelingen wier regering bereid is te betalen voor opvang en vervoer. Verreweg de meeste reizigers die gisteren bij de grenspost Ruweished arriveerden waren echter Jordaanse gastarbeiders, die er geen twijfel over lieten bestaan dat zij de bombardementen als een vorm van ongerechtvaardigde agressie beschouwen, en Westerse televisieploegen, die niet verder konden of wilden werken in Bagdad.

In de loop van de dag werd uit de Iraakse hoofdstad vernomen dat ook de nog resterende, ongeveer dertig, Westerse journalisten 'tijdelijk' het land zouden moeten verlaten, met achterlating van hun apparatuur. De Iraakse minister van informatie zei bezorgd te zijn over hun veiligheid.

Al eerder was de berichtgeving vanuit Bagdad ernstig bemoeilijkt door een verplaatsingsverbod, waardoor verslaggevers niet veel meer konden waarnemen dan het uitzicht vanuit hun hotelkamer en de binnenkant van de schuilkelders. Sinds eergisteren gold ook een militaire censuur.

“Wij hebben geen enkel probleem in Bagdad”, verzekerde bij de grens een driftige Iraakse taxichauffeur die met een Jordaanse familie op weg was naar Amman. “Ik ben tijdens de bombardementen gewoon door blijven rijden. Niemand is bang, niemand verlaat de stad. Wij zullen deze oorlog winnen, als God het wil.”

Een Palestijn met een Jordaans paspoort vertelde dat wel degelijk veel families naar het platteland zijn vertrokken. Hijzelf was vlak voor het begin van de oorlog vanuit Koeweit op weg naar Amman en is een paar dagen in Bagdad gebleven om het verloop van de gebeurtenissen mee te maken. Ook volgens hem is het rustig in de stad, op de momenten dat er geen luchtaanvallen zijn. Er wordt gewerkt, er is nog water, licht en voedsel. Wel is een aantal overheidsgebouwen geraakt, waaronder het paleis van Saddam Hussein, het ministerie van defensie, het hoofdpostkantoor en een communicatietoren.

Televisieverslaggevers van de Canadese omroep CBC die aan het begin van de middag in twee wrakke en bestofte taxi's arriveerden, bevestigden dat Bagdad voor het oog nog steeds opmerkelijk ongeschonden is. “Wanneer we 's nachts uit het raam keken zagen we een inferno van lichtstrepen, vuurbollen en vlammen”, zei een van hen. “Het is heel merkwaardig om dan bij het eerste daglicht uit je raam te kijken en een stad te ontwaren waar helemaal niets gebeurd lijkt te zijn. Kennelijk weten de Amerikanen zo goed te richten dat alleen het beoogde doel geraakt wordt en de gebouwen daaromheen gespaard blijven. En verder zou het grootste deel van het nachtelijke vuurwerk wel eens veroorzaakt kunnen worden door Iraaks afweergeschut. Ik heb de indruk dat ze in Irak doorgaans in het wildeweg zoveel mogelijk kogels sproeien, in de hoop bij toeval iets te raken.”

Pag. 3: .

'Niemand in Bagdad is bang of gaat weg'

Verscheidene Jordaanse en Palestijnse reizigers zeiden dat ze Amerikaanse en Franse vliegtuigen hebben zien neerstorten. Een man hield vol dat hij nabij de stad Rutba een piloot gevangen had zien nemen. Een Soedanese diplomatenzoon zei zelfs kortaf dat hij in Irak niets bijzonders had gezien “behalve veel vallende vliegtuigen”. Volgens een Canadese televisiejournalist is dat echter niet erg waarschijnlijk. “Wij hebben al die tijd niet een vliegtuig gezien, alleen maar een paar condensstrepen. Vooral overdag blijven ze heel hoog.”

Ook over het onaangetaste moreel in Bagdad had hij zo zijn twijfels. “Wij zijn weggegaan omdat er onder de steeds strengere regels niet meer te werken viel. Het was het risico niet meer waard. Voor die tijd probeerden we met cadeautjes en geld onze begeleiders zo gunstig te stemmen dat ze af en toe even niet opletten en wij met een Iraakse burger alleen konden spreken. Dat is ons na het begin van de oorlog drie keer gelukt - zonder camera natuurlijk. Alle drie de keren liet de man met wie we spraken merken dat hij het niet eens was met de overheidspropaganda, maar zich daarover onmogelijk kon uitlaten.”

Een Egyptische dierenarts die vanmorgen als een van de eerste vluchtelingen in het kader van het VN-programma Jordanie binnenkwam, zei iets soortgelijks. “In het algemeen staan de Irakezen achter hun president, maar iedereen heeft ook zijn eigen gedachten en die kan hij onmogelijk uitspreken. Er is beslist geen paniek in Irak, maar de situatie is onduidelijk. Veel Irakezen luisteren in het geheim naar buitenlandse radiostations en die vertellen iets anders dan de staatsomroep. Als ze moeten kiezen, denk ik dat ze toch het meeste vertrouwen hebben in Saddam Hussein.”

De Egyptenaar had met een kleine groep landgenoten ruim zes uur gedaan over de tocht van Bagdad naar Ruweished. De Canadezen hadden bijna een etmaal over secundaire wegen moeten rijden, waarbij ze voortdurend voor troepenverplaatsingen moesten uitwijken. “De hoeveelheid geschut die we tegenkwamen was enorm. We denken zelfs twee lanceerinrichtingen voor Scud-raketten te hebben gezien, die op weg waren in de richting van Bagdad.”

De Egyptische vluchtelingen werden na het passeren van de Iraakse grens naar een tentenkamp in niemandsland gebracht om zich te laten registreren en op een lijst voor transport naar de Rode-Zeehaven Aqaba te worden gezet.

Franziska Aebi van het Internationale Rode Kruis, die dit kamp beheert, was gistermiddag zeer verbaasd over het geringe aantal vluchtelingen (of evacues, zoals hun officiele benaming luidt). In plaats van het begin van een vloedgolf die volgens sommige schattingen tot 1, 3 miljoen personen zou kunnen aangroeien, werd de hulporganisatie met niet veel meer dan tweehonderd Egyptenaren, Soedanezen, Jemenieten en Somaliers geconfronteerd.

Slechts een paar van de tientallen tenten in het opvangkamp waren in gebruik, twee andere kampen bleven zelfs geheel leeg. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat Irak de wegen zoveel mogelijk vrij wil houden voor militair verkeer.

De Jordaanse regering heeft van haar kant strenge eisen gesteld aan het aantal en de aard van de vluchtelingen. Van 9 tot 18 januari is de grens alleen voor houders van een Jordaans, Syrisch of Libanees paspoort geopend geweest. Volgens de autoriteiten heeft het land in augustus en september 56 miljoen dollar uitgegeven aan de opvang van vluchtelingen uit Koeweit. Door de betrokken staten en internationale organisaties is echter slechts 12 miljoen terugbetaald. Dit zou een ondragelijke last zijn voor de toch al door de Golfcrisis ernstig aangetaste Jordaanse economie.

Diplomatieke kringen in Amman menen echter dat het bedrag dat Jordanie van het buitenland vraagt veel te hoog is. Het zou gebaseerd zijn op het aantal dagen dat iedere vluchteling tussen aankomst en vertrek in Jordanie is geweest en niet op de in werkelijkheid gemaakte kosten voor voedsel en onderdak.

Hoe dat ook zij, Amman wil voor iedere groep die het land binnenkomt nu een aparte financiele garantie. Aan deze regel wordt streng de hand gehouden, zoals twee Somaliers gisteren hebben gemerkt. Omdat hun regering in een burgeroorlog verwikkeld is kon er voor hen niets worden gegarandeerd of betaald. Onder protest van Rode Kruis- en VN-medewerkers pakte de Jordanese politie de twee ongelukkige jongens op en bracht ze in een busje terug naar de Iraakse grens. .